ORDEMAATREGEL - BRIEFWISSELING - TELEFONIE
De directeur kan de gedetineerde het recht om te telefoneren ontzeggen wanneer er geïndividualiseerde aanwijzingen bestaan dat het telefonisch gesprek de handhaving van de orde en de veiligheid kan bedreigen. Zoals de Klachtencommissie stelt, geeft de wet geen verdere invulling aan het begrip “geïndividualiseerde aanwijzingen”. Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de directie om te oordelen of er geïndividualiseerde aanwijzingen zijn dat het telefoongesprek de orde en de veiligheid in het gevaar kan brengen. In dit dossier heeft de directie zich voor het nemen van de ordemaatregel gebaseerd op verschillende elementen. Zij verwijst niet enkel naar de aard van de veroordeling en naar feiten in het verleden, maar eveneens naar recente meldingen tijdens de detentieperiode van het personeel dat appellant in de gevangenis probeert mensen te overtuigen van extremistische ideeën. De Beroepscommissie is van oordeel dat de combinatie van deze motieven en het feit dat er recent nog meldingen zijn geweest voldoende zijn om te oordelen dat er geïndividualiseerde aanwijzingen zijn dat telefonische contacten mogelijk een gevaar zijn voor de orde en de veiligheid. De Beroepscommissie volgt het standpunt van de Klachtencommissie dat de ordemaatregel conform art. 64 § 3 van de Basiswet genomen werd.
Het beroep is ongegrond.
De directeur kan de gedetineerde het recht om te telefoneren ontzeggen wanneer er geïndividualiseerde aanwijzingen bestaan dat het telefonisch gesprek de handhaving van de orde en de veiligheid kan bedreigen. Zoals de Klachtencommissie stelt, geeft de wet geen verdere invulling aan het begrip “geïndividualiseerde aanwijzingen”. Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de directie om te oordelen of er geïndividualiseerde aanwijzingen zijn dat het telefoongesprek de orde en de veiligheid in het gevaar kan brengen. In dit dossier heeft de directie zich voor het nemen van de ordemaatregel gebaseerd op verschillende elementen. Zij verwijst niet enkel naar de aard van de veroordeling en naar feiten in het verleden, maar eveneens naar recente meldingen tijdens de detentieperiode van het personeel dat appellant in de gevangenis probeert mensen te overtuigen van extremistische ideeën. De Beroepscommissie is van oordeel dat de combinatie van deze motieven en het feit dat er recent nog meldingen zijn geweest voldoende zijn om te oordelen dat er geïndividualiseerde aanwijzingen zijn dat telefonische contacten mogelijk een gevaar zijn voor de orde en de veiligheid. De Beroepscommissie volgt het standpunt van de Klachtencommissie dat de ordemaatregel conform art. 64 § 3 van de Basiswet genomen werd.
Het beroep is ongegrond.