BC/22-0021
Beroepscommissie
Beroepscommissie
Tucht
BC - Beroep tegen aspect KC/ Appel contre aspect CP
BEVOEGDHEID - TUCHT
De beroepscommissie is niet bevoegd voor de grief van appellant over het feit dat het inrichtingshoofd acht dagen na de uitspraak van de klachtencommissie nog geen nieuwe beslissing genomen heeft. Het beroep is voor dit aspect onontvankelijk.
Ten tweede is de beroepscommissie van oordeel dat uit samenlezing van verschillende artikelen in de Basiswet dat het verweer van de directie met de eindbeslissing overgemaakt kan worden, wanneer de alleenzetelend klachtenrechter, zoals in deze zaak, van oordeel is dat de klacht (en het verweer) geen nader onderzoek vereist en tot een kennelijk oordeel komt in haar uitspraak. Het tijdstip van de mededeling van het verweer aan appellant doet er in die hypothese dan ook niet toe, omdat er hieromtrent geen mondelinge opmerkingen nodig werden geacht en de Basiswet hoe dan ook niet voorziet dat er schriftelijke opmerkingen kunnen gemaakt worden.
Hoewel het niet met zoveel woorden in het huishoudelijk reglement opgenomen staat, volgt de tuchtinbreuk uit de bepaling omtrent de voorwerpen waarvan het aan de gedetineerde toegelaten is om ze in zijn verblijfsruimte te hebben (“de voorgeschreven medicatie en de medicatie die de gedetineerde ontvangen heeft overeenkomstig de procedure zelfmedicatie”) samengelezen met de bepaling waarbij gesteld wordt dat men een verzoek moet indienen bij de directeur indien men andere voorwerpen of een grotere hoeveelheid van deze goederen wenst te hebben. Op basis van deze samenlezing is het aldus op grond van het huishoudelijk reglement verboden om grotere hoeveelheden medicatie dan op een bepaald moment noodzakelijk in de verblijfsruimte te hebben. Met de klachtencommissie is de beroepscommissie derhalve van oordeel dat het tuchtvergrijp correct werd omschreven en de opgelegde sanctie redelijk is. Het beroep hiertegen is ongegrond.
De beroepscommissie is niet bevoegd voor de grief van appellant over het feit dat het inrichtingshoofd acht dagen na de uitspraak van de klachtencommissie nog geen nieuwe beslissing genomen heeft. Het beroep is voor dit aspect onontvankelijk.
Ten tweede is de beroepscommissie van oordeel dat uit samenlezing van verschillende artikelen in de Basiswet dat het verweer van de directie met de eindbeslissing overgemaakt kan worden, wanneer de alleenzetelend klachtenrechter, zoals in deze zaak, van oordeel is dat de klacht (en het verweer) geen nader onderzoek vereist en tot een kennelijk oordeel komt in haar uitspraak. Het tijdstip van de mededeling van het verweer aan appellant doet er in die hypothese dan ook niet toe, omdat er hieromtrent geen mondelinge opmerkingen nodig werden geacht en de Basiswet hoe dan ook niet voorziet dat er schriftelijke opmerkingen kunnen gemaakt worden.
Hoewel het niet met zoveel woorden in het huishoudelijk reglement opgenomen staat, volgt de tuchtinbreuk uit de bepaling omtrent de voorwerpen waarvan het aan de gedetineerde toegelaten is om ze in zijn verblijfsruimte te hebben (“de voorgeschreven medicatie en de medicatie die de gedetineerde ontvangen heeft overeenkomstig de procedure zelfmedicatie”) samengelezen met de bepaling waarbij gesteld wordt dat men een verzoek moet indienen bij de directeur indien men andere voorwerpen of een grotere hoeveelheid van deze goederen wenst te hebben. Op basis van deze samenlezing is het aldus op grond van het huishoudelijk reglement verboden om grotere hoeveelheden medicatie dan op een bepaald moment noodzakelijk in de verblijfsruimte te hebben. Met de klachtencommissie is de beroepscommissie derhalve van oordeel dat het tuchtvergrijp correct werd omschreven en de opgelegde sanctie redelijk is. Het beroep hiertegen is ongegrond.