BC/22-0181
Gegrond
Beroepscommissie
Beroepscommissie
Andere beslissing directeur
ORDEMAATREGEL - BEZOEK
De centrale vraag die zich stelt is of het bestaan van dit bevel tot aanhouding op zich de vereiste “geïndividualiseerde aanwijzingen” kunnen opleveren “dat het bezoek de handhaving van de veiligheid ernstig in gevaar kan brengen”. Uit het bevel tot aanhouding blijkt dat klager het voertuig van zijn ex-partner had aangereden, haar ruit insloeg, haar keel had dichtgeknepen en haar vuistslagen in het aangezicht had toegebracht. De klachtencommissie stelde terecht vast dat de vermeende feiten enkel gepleegd zijn ten aanzien van zijn ex-partner en niet naar zijn huidige partner.
Hoewel de kennis van dergelijke verdenkingen van ernstig partnergeweld de directie inderdaad moet dwingen de nodige voorzichtigheid en terughoudendheid aan de dag te leggen, dient het vermoeden van onschuld thans zwaarder door te wegen ten aanzien van de huidige partner. De aanwijzingen zijn immers onvoldoende geïndividualiseerd naar de bezoekster van klager, die ook zelf een uitdrukkelijke aanvraag indiende en die voor de klachtencommissie nogmaals benadrukt dat klager nooit enige vorm van agressie heeft geuit. De thans voorliggende feiten betreffen intrafamiliaal geweld, dat eigen was aan de relatie met de ex-partner en waaruit niet noodzakelijk een gelijkaardig risico voortvloeit voor de huidige partner.
De beroepscommissie wijst er tot slot op dat een standaard weigering van ongestoord bezoek “gelet op de aard van de feiten” waarvoor de gedetineerde vastzit (in casu partnergeweld), onverenigbaar is met de motiveringsplicht en niet voorzien is in de basiswet als weigeringsgrond. Dergelijke standaard weigering zou betekenen dat plegers van partnergeweld als het ware automatisch geen recht hebben op ongestoord bezoek, vanuit de idee om de bezoeker te beschermen.
De beroepscommissie beperkt zich evenwel niet tot een loutere vernietiging van de weigeringsbeslissing zoals de klachtencommissie. Het inrichtingshoofd kan in die zin gevolgd worden waar zij in haar beroepschrift hekelt dat de klachtencommissie zich in de plaats van de directie heeft gesteld door het ongestoord bezoek vervolgens zonder meer toe te staan, zonder inzage van de relevante stukken. Voor zover klager intussen nog geen nieuwe succesvolle aanvraag indiende, draagt de beroepscommissie de directeur thans op een nieuwe beslissing te nemen binnen de termijn uit artikel 18 van het KB van 8 april 2011, rekening houdend met de overwegingen in deze uitspraak en het intussen verstreken tijdsbestek.
De centrale vraag die zich stelt is of het bestaan van dit bevel tot aanhouding op zich de vereiste “geïndividualiseerde aanwijzingen” kunnen opleveren “dat het bezoek de handhaving van de veiligheid ernstig in gevaar kan brengen”. Uit het bevel tot aanhouding blijkt dat klager het voertuig van zijn ex-partner had aangereden, haar ruit insloeg, haar keel had dichtgeknepen en haar vuistslagen in het aangezicht had toegebracht. De klachtencommissie stelde terecht vast dat de vermeende feiten enkel gepleegd zijn ten aanzien van zijn ex-partner en niet naar zijn huidige partner.
Hoewel de kennis van dergelijke verdenkingen van ernstig partnergeweld de directie inderdaad moet dwingen de nodige voorzichtigheid en terughoudendheid aan de dag te leggen, dient het vermoeden van onschuld thans zwaarder door te wegen ten aanzien van de huidige partner. De aanwijzingen zijn immers onvoldoende geïndividualiseerd naar de bezoekster van klager, die ook zelf een uitdrukkelijke aanvraag indiende en die voor de klachtencommissie nogmaals benadrukt dat klager nooit enige vorm van agressie heeft geuit. De thans voorliggende feiten betreffen intrafamiliaal geweld, dat eigen was aan de relatie met de ex-partner en waaruit niet noodzakelijk een gelijkaardig risico voortvloeit voor de huidige partner.
De beroepscommissie wijst er tot slot op dat een standaard weigering van ongestoord bezoek “gelet op de aard van de feiten” waarvoor de gedetineerde vastzit (in casu partnergeweld), onverenigbaar is met de motiveringsplicht en niet voorzien is in de basiswet als weigeringsgrond. Dergelijke standaard weigering zou betekenen dat plegers van partnergeweld als het ware automatisch geen recht hebben op ongestoord bezoek, vanuit de idee om de bezoeker te beschermen.
De beroepscommissie beperkt zich evenwel niet tot een loutere vernietiging van de weigeringsbeslissing zoals de klachtencommissie. Het inrichtingshoofd kan in die zin gevolgd worden waar zij in haar beroepschrift hekelt dat de klachtencommissie zich in de plaats van de directie heeft gesteld door het ongestoord bezoek vervolgens zonder meer toe te staan, zonder inzage van de relevante stukken. Voor zover klager intussen nog geen nieuwe succesvolle aanvraag indiende, draagt de beroepscommissie de directeur thans op een nieuwe beslissing te nemen binnen de termijn uit artikel 18 van het KB van 8 april 2011, rekening houdend met de overwegingen in deze uitspraak en het intussen verstreken tijdsbestek.