BC/23-0067
Ongegrond
Beroepscommissie
Beroepscommissie
Geen beslissing directeur
BRAND
De klacht is gericht tegen de handelswijze bij de brand op de cel van klager.
De klachtencommissie verklaarde de klacht niet ontvankelijk.
De Collectieve Brief nr. 58 – te nemen maatregelen in het geval van brand, bepaalt dat het inrichtingshoofd in geval van brand fungeert als coördinator. De beroepscommissie leidt hieruit af dat bij een brand in een cel van een gedetineerde het inrichtingshoofd in principe moet beslissen over hoe op te treden in deze situatie. Bovendien bepaalt artikel 105, §2 van de Basiswet dat het inrichtingshoofd de verantwoordelijkheid draagt voor de handhaving van de orde en de veiligheid.
Daartegenover staat de “checklist brandmelding”, die nauwkeurig beschrijft welke procedure moet worden gevolgd wanneer er brand uitbreekt in de gevangenis, en die opgesteld is door de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming van DG EPI.
Hieruit volgt dat de richtlijnen voorschrijven dat er, indien mogelijk, eerst via het winket wordt getracht de brand te blussen, alvorens de gedetineerde uit de cel te halen.
De directie heeft per mail verduidelijkt over hoe er gehandeld is bij het incident. Hieruit blijkt aldus dat de richtlijnen van de “checklist brandmelding” zijn toegepast.
Een feitelijk handelen van penitentiair beambten valt onder het beklagrecht wanneer dit feitelijk handelen in verband kan worden gebracht met een beslissing van de directie. De beroepscommissie meent dat er in casu geen sprake is van een feitelijk handelen dat in verbinding kan worden gebracht met een beslissing van de directie, daar de penitentiair beambten hebben gehandeld volgens de “checklist brandmelding”. Deze checklist is opgesteld door DG EPI. Er is geen beslissing van de directie aan te pas gekomen.
Om die reden oordeelt de beroepscommissie dat de klacht niet-ontvankelijk is en bevestigt zij de beslissing van de klachtencommissie.
De klacht is gericht tegen de handelswijze bij de brand op de cel van klager.
De klachtencommissie verklaarde de klacht niet ontvankelijk.
De Collectieve Brief nr. 58 – te nemen maatregelen in het geval van brand, bepaalt dat het inrichtingshoofd in geval van brand fungeert als coördinator. De beroepscommissie leidt hieruit af dat bij een brand in een cel van een gedetineerde het inrichtingshoofd in principe moet beslissen over hoe op te treden in deze situatie. Bovendien bepaalt artikel 105, §2 van de Basiswet dat het inrichtingshoofd de verantwoordelijkheid draagt voor de handhaving van de orde en de veiligheid.
Daartegenover staat de “checklist brandmelding”, die nauwkeurig beschrijft welke procedure moet worden gevolgd wanneer er brand uitbreekt in de gevangenis, en die opgesteld is door de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming van DG EPI.
Hieruit volgt dat de richtlijnen voorschrijven dat er, indien mogelijk, eerst via het winket wordt getracht de brand te blussen, alvorens de gedetineerde uit de cel te halen.
De directie heeft per mail verduidelijkt over hoe er gehandeld is bij het incident. Hieruit blijkt aldus dat de richtlijnen van de “checklist brandmelding” zijn toegepast.
Een feitelijk handelen van penitentiair beambten valt onder het beklagrecht wanneer dit feitelijk handelen in verband kan worden gebracht met een beslissing van de directie. De beroepscommissie meent dat er in casu geen sprake is van een feitelijk handelen dat in verbinding kan worden gebracht met een beslissing van de directie, daar de penitentiair beambten hebben gehandeld volgens de “checklist brandmelding”. Deze checklist is opgesteld door DG EPI. Er is geen beslissing van de directie aan te pas gekomen.
Om die reden oordeelt de beroepscommissie dat de klacht niet-ontvankelijk is en bevestigt zij de beslissing van de klachtencommissie.