BC/23-0268
Gegrond
Beroepscommissie
Beroepscommissie
Individueel bijzonder veiligheidsregime
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME - MOTIVERING - HOORPLICHT
Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
De procedure die een beslissing tot plaatsing of hernieuwing in een IBVR moet voorafgaan, staat beschreven in artikel 118 van de basiswet.
De beroepsindiener stelde dat de hoorzitting, waarbij de directie haar voorstel toelicht en de gedetineerde zijn verweer kan laten gelden zijn bedoeling heeft gemist, omdat de directie tijdens de hoorzitting liet weten dat ze haar voorstel niet zou versoepelen. De beroepscommissie volgde dat standpunt echter niet. De wet stelt duidelijk dat men akte moet nemen van de opmerkingen van de gedetineerde op het voorstel van de directie. Het geheel van opmerkingen moet dan, samen met het voorstel van de directie, worden bezorgd aan de directeur-generaal, die dan op basis van de voor hem beschikbare informatie een beslissing moet nemen. De directeur kan ervoor kiezen om, op basis van de opmerkingen, zijn voorstel aan te passen, maar hij is hiertoe niet verplicht.
De beroepscommissie concludeerde dat de directeur-generaal de opmerkingen van de beroepsindiener wel degelijk heeft gelezen en hiermee rekening heeft gehouden in zijn beslissing. Dit blijkt uit passages in de bestreden beslissing.
Daarnaast stelde de beroepsindiener dat het recht op tegenspraak is geschonden omdat hij en zijn advocaat geen kennis konden nemen van de medische adviezen in het kader van de hernieuwing van het IBVR, noch voor de hoorzitting, noch tijdens of erna. De beroepscommissie was van oordeel dat de gedetineerde inzage moet kunnen krijgen van het volledige dossier dat aan de beslissende overheid wordt voorgelegd, zodat hij met betrekking tot alle stukken zijn standpunt kenbaar kan maken. De beroepscommissie concludeerde dat de laattijdige kennisgeving van de medische adviezen een schending inhoudt van de motiveringsplicht zoals voorzien in artikel 8 van de basiswet. De bestreden beslissing verwijst immers naar de medische adviezen ter staving van de beslissing, maar dat vereist dat de inhoud van het stuk waarnaar men verwijst gekend is door de gedetineerde of dat men hem dat ter kennis moet brengen, hetgeen niet tijdig gebeurd is.
Gelet op deze elementen, besloot de beroepscommissie dat zowel de hoorplicht zoals voorzien in artikel 118 ยง 3 als de motiveringsplicht van artikel 8 van de basiswet geschonden is. De beslissing van de directeur-generaal van 17 oktober 2023 is bijgevolg vernietigd.
Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
De procedure die een beslissing tot plaatsing of hernieuwing in een IBVR moet voorafgaan, staat beschreven in artikel 118 van de basiswet.
De beroepsindiener stelde dat de hoorzitting, waarbij de directie haar voorstel toelicht en de gedetineerde zijn verweer kan laten gelden zijn bedoeling heeft gemist, omdat de directie tijdens de hoorzitting liet weten dat ze haar voorstel niet zou versoepelen. De beroepscommissie volgde dat standpunt echter niet. De wet stelt duidelijk dat men akte moet nemen van de opmerkingen van de gedetineerde op het voorstel van de directie. Het geheel van opmerkingen moet dan, samen met het voorstel van de directie, worden bezorgd aan de directeur-generaal, die dan op basis van de voor hem beschikbare informatie een beslissing moet nemen. De directeur kan ervoor kiezen om, op basis van de opmerkingen, zijn voorstel aan te passen, maar hij is hiertoe niet verplicht.
De beroepscommissie concludeerde dat de directeur-generaal de opmerkingen van de beroepsindiener wel degelijk heeft gelezen en hiermee rekening heeft gehouden in zijn beslissing. Dit blijkt uit passages in de bestreden beslissing.
Daarnaast stelde de beroepsindiener dat het recht op tegenspraak is geschonden omdat hij en zijn advocaat geen kennis konden nemen van de medische adviezen in het kader van de hernieuwing van het IBVR, noch voor de hoorzitting, noch tijdens of erna. De beroepscommissie was van oordeel dat de gedetineerde inzage moet kunnen krijgen van het volledige dossier dat aan de beslissende overheid wordt voorgelegd, zodat hij met betrekking tot alle stukken zijn standpunt kenbaar kan maken. De beroepscommissie concludeerde dat de laattijdige kennisgeving van de medische adviezen een schending inhoudt van de motiveringsplicht zoals voorzien in artikel 8 van de basiswet. De bestreden beslissing verwijst immers naar de medische adviezen ter staving van de beslissing, maar dat vereist dat de inhoud van het stuk waarnaar men verwijst gekend is door de gedetineerde of dat men hem dat ter kennis moet brengen, hetgeen niet tijdig gebeurd is.
Gelet op deze elementen, besloot de beroepscommissie dat zowel de hoorplicht zoals voorzien in artikel 118 ยง 3 als de motiveringsplicht van artikel 8 van de basiswet geschonden is. De beslissing van de directeur-generaal van 17 oktober 2023 is bijgevolg vernietigd.