Ga verder naar de inhoud

BC/24-0105

Gegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Individueel bijzonder veiligheidsregime
IBVR - GEÏNTERNEERDE - ONTVANKELIJKHEID- BIJSTAND RAADSMAN - VERDOKEN TUCHT

Aangezien zowel op de initiële plaatsingsbeslissing, als op de navolgende versoepeling géén datum van betekening werd genoteerd, is het beroep in elk geval ontvankelijk ratione temporis.
Hoewel inderdaad van een appellant wordt verwacht dat deze overeenkomstig artikel 150 §2 basiswet de beslissing waartegen zij beroep wenst in te stellen “zo nauwkeurig mogelijk vermeld”, kan het appellante als (op dat moment ook definitief) geïnterneerde bezwaarlijk worden verweten dat zij in haar beroepschrift nalaat om de exacte bestreden beslissing met datum te hernemen.Uit het beroepschrift kan bovendien met een voldoende mate van zekerheid worden afgeleid dat appellante het oneens is met het bestaande IBVR regime, ook al werd dat op 20 maart 2024 versoepeld wat betreft de toegang tot gemeenschappelijke zorgactiviteiten. Hoewel het beroepschrift dateert van 21 maart 2024, dag waarop de versoepeling werd genomen, is het op grond van het administratief dossier niet uit te sluiten dat appellante ook pas op die dag daadwerkelijk kennis nam van de initiële plaatsingsbeslissing.
De beroepscommissie kan de directeur-generaal tot slot evenmin volgen waar deze suggereert dat het beroepschrift geen inhoudelijke argumenten zou bevatten en aldus niet “met redenen omkleed” zou zijn.
Het standpunt van appellant werd boven aangehaald en bevat ook argumenten die betrekking hebben op het opgelegde regime, dat zij zelf immers ervaart als tuchtregime.

Het administratief dossier bevat geen enkel stuk waaruit blijkt dat appellante behoorlijk werd opgeroepen om te worden gehoord over het voorstel tot plaatsing in IBVR, desgewenst bijgestaan door haar raadsman.
Appellante kon de betekenis, laat staan de strekking van het voorgestelde regime niet vatten, nu zij klaarblijkelijk ook op het verkeerde spoor werd gezet. Uit het boven geciteerde document ‘verklaring weigering te worden gehoord’, blijkt immers zwart op wit dat appellante werd opgeroepen voor een ‘tuchtrechtelijke hoorzitting’, in verband met de ‘tegen haar opgestart tuchtprocedure’.
De bestreden beslissing doet zich in dat opzicht bovendien voor als een verdoken tuchtsanctie, nu uit deze bewoordingen kan worden afgeleid dat de directie hoofdzakelijk de bedoeling had om appellante de bestraffen.
Een IBVR regime kan niet dienen als een tussentijdse oplossing om een “prikkelbare” geïnterneerde af te zonderen in afwachting van daadwerkelijke zorg, te meer wanneer er voor het overige geen sprake is van een “voortdurende bedreiging voor de veiligheid” in de zin van artikel 116 §1 van de basiswet. De onderbrenging in de beveiligde cel en de observatie van appellante zijn zeer ingrijpende maatregelen die buitenproportioneel zijn in het licht van de feitelijke elementen in het voorliggende administratief dossier.