BC/24-0134
Gegrond
Beroepscommissie
Beroepscommissie
Individueel bijzonder veiligheidsregime
IBVR - GEÏNTERNEERDE - TENUITVOERLEGGING - ZORGPLICHT - HOORPLICHT
Hoewel er thans sprake is van een versoepeling (3 maal deelname aan gemeenschappelijke wandeling) sedert de tweede verlenging van de bijzondere veiligheidsmaatregelen, verwijst de beroepscommissie vooreerst integraal naar de beoordeling in haar vorige uitspraak die geheel naast zich neer werd gelegd door de penitentiaire administratie.
De beroepscommissie herhaalt dat een IBVR niet kan dienen als een zuiver zorgregime voor geïnterneerden of psychiatrisch kwetsbare gedetineerden, al kan er in uitzonderlijke situaties sprake zijn van een context van opeenvolgende incidenten, die een voortdurende dreiging voor de (interne) veiligheid uitmaken.
Zij verwijst naar haar standpunt zoals uitvoerig uiteengezet in de vorige vernietigingsbeslissing inzake de zorgplicht die daarentegen op de directeur(-generaal) rust en stelt daarenboven vast dat het administratief dossier thans evenmin nieuwe elementen bevat die wel zouden kunnen worden gekwalificeerd als een voortdurende bedreiging voor de veiligheid.
De weigering om de vorige uitspraak van de beroepscommissie te ondertekenen, de verbale agressie tijdens de etensbedeling of de overbrenging naar de douche zijn niet van die aard om te spreken van een voortdurende bedreiging voor de veiligheid, die op geen enkele andere wijze kan worden gevrijwaard (artikel 116 van de basiswet).
In zoverre de directeur-generaal thans citeert uit het forensisch deskundigenverslag van 7 maart 2024 en in de bewoordingen van de psychiater een bevestiging ziet van de noodzaak aan een strikt IBVR regime, wijst de beroepscommissie er integendeel op dat dit verslag louter kadert in de aanstelling door de kamer van inbeschuldigingstelling die de internering van appellant op 25 april 2024 bevestigde.
Datzelfde verslag kan bezwaarlijk a posteriori worden aangegrepen om het IBVR regime te verantwoorden.
Hoewel er thans sprake is van de toelating tot de gemeenschappelijke wandeling op de reguliere afdeling, kan het appellant niet worden verweten dat hij daaraan weigert deel te nemen en de voorkeur geeft aan de individuele wandeling.
Dit is des te meer het geval omdat in de vorige uitspraak reeds werd vastgesteld dat er bedreigingen werden geuit naar appellant door medegedetineerden.
Tot slot, maar niet in het minst, merkt de beroepscommissie op dat het verslag van de hoorzitting dat in het kader van de plaatsing werd opgesteld, letterlijk overeenstemt met het verslag van de hoorzitting die in het kader van de laatste verlenging van de BVM werd opgesteld. Aan de handtekeningen is duidelijk te zien dat er sprake is van een ontoelaatbare copy paste, waar de beroepscommissie zwaar aan tilt. Aldus blijkt dat de hoorplicht werd geschonden, aangezien appellant slechts éénmaal (op 5 april dan wel op 9 april) werd gehoord, terwijl hij zowel in het kader van de verlenging van de laatste BVM (artikel 110 §2 basiswet) als in het kader van de plaatsing in IBVR (artikel 118 §3 basiswet) had moeten worden gehoord.
Hoewel er thans sprake is van een versoepeling (3 maal deelname aan gemeenschappelijke wandeling) sedert de tweede verlenging van de bijzondere veiligheidsmaatregelen, verwijst de beroepscommissie vooreerst integraal naar de beoordeling in haar vorige uitspraak die geheel naast zich neer werd gelegd door de penitentiaire administratie.
De beroepscommissie herhaalt dat een IBVR niet kan dienen als een zuiver zorgregime voor geïnterneerden of psychiatrisch kwetsbare gedetineerden, al kan er in uitzonderlijke situaties sprake zijn van een context van opeenvolgende incidenten, die een voortdurende dreiging voor de (interne) veiligheid uitmaken.
Zij verwijst naar haar standpunt zoals uitvoerig uiteengezet in de vorige vernietigingsbeslissing inzake de zorgplicht die daarentegen op de directeur(-generaal) rust en stelt daarenboven vast dat het administratief dossier thans evenmin nieuwe elementen bevat die wel zouden kunnen worden gekwalificeerd als een voortdurende bedreiging voor de veiligheid.
De weigering om de vorige uitspraak van de beroepscommissie te ondertekenen, de verbale agressie tijdens de etensbedeling of de overbrenging naar de douche zijn niet van die aard om te spreken van een voortdurende bedreiging voor de veiligheid, die op geen enkele andere wijze kan worden gevrijwaard (artikel 116 van de basiswet).
In zoverre de directeur-generaal thans citeert uit het forensisch deskundigenverslag van 7 maart 2024 en in de bewoordingen van de psychiater een bevestiging ziet van de noodzaak aan een strikt IBVR regime, wijst de beroepscommissie er integendeel op dat dit verslag louter kadert in de aanstelling door de kamer van inbeschuldigingstelling die de internering van appellant op 25 april 2024 bevestigde.
Datzelfde verslag kan bezwaarlijk a posteriori worden aangegrepen om het IBVR regime te verantwoorden.
Hoewel er thans sprake is van de toelating tot de gemeenschappelijke wandeling op de reguliere afdeling, kan het appellant niet worden verweten dat hij daaraan weigert deel te nemen en de voorkeur geeft aan de individuele wandeling.
Dit is des te meer het geval omdat in de vorige uitspraak reeds werd vastgesteld dat er bedreigingen werden geuit naar appellant door medegedetineerden.
Tot slot, maar niet in het minst, merkt de beroepscommissie op dat het verslag van de hoorzitting dat in het kader van de plaatsing werd opgesteld, letterlijk overeenstemt met het verslag van de hoorzitting die in het kader van de laatste verlenging van de BVM werd opgesteld. Aan de handtekeningen is duidelijk te zien dat er sprake is van een ontoelaatbare copy paste, waar de beroepscommissie zwaar aan tilt. Aldus blijkt dat de hoorplicht werd geschonden, aangezien appellant slechts éénmaal (op 5 april dan wel op 9 april) werd gehoord, terwijl hij zowel in het kader van de verlenging van de laatste BVM (artikel 110 §2 basiswet) als in het kader van de plaatsing in IBVR (artikel 118 §3 basiswet) had moeten worden gehoord.