BC/24-0148
Ongegrond
Beroepscommissie
Beroepscommissie
Andere beslissing directeur
CELMUTATIE – OVERBEVOLKING
Het beroep van de gedetineerde is gericht tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij een klacht over een interne mutatie ontvankelijk, maar niet gegrond werd verklaard. De beroepscommissie wijst er vooreerst op dat de klacht terecht ontvankelijk werd verklaard, aangezien een beslissing tot interne mutatie minstens steeds een beslissing namens de directie is in de zin van artikel 148, eerste lid Basiswet.
De beroepscommissie is, net zoals de klachtencommissie, van oordeel dat de beslissing tot interne mutatie geen bestraffend karakter had. Klager werd na een tuchtzitting intern gemuteerd. De beroepscommissie acht het echter aannemelijk dat de mutatie niets te maken had met het aan klager ten laste gelegde tuchtfeit. In zijn beroepschrift voerde klager nog aan dat zijn overplaatsing in strijd was met de mensenrechten, aangezien hij over onvoldoende persoonlijke ruimte beschikte. De beroepscommissie wijst erop dat klager, zelfs volgens een berekening waarbij de door de sanitaire faciliteiten ingenomen plaats ruim wordt geïnterpreteerd, in ieder geval over meer dan 4m² persoonlijke ruimte beschikte. Klager beschikte dus over voldoende persoonlijke ruimte. De beroepscommissie beschikt niet over andere informatie waaruit zou blijken dat andere materiële detentieomstandigheden van klager tijdens zijn periode in deze cel een inbreuk zouden hebben uitgemaakt op artikel 3 EVRM. Het beroep is ontvankelijk, maar niet gegrond.
Het beroep van de gedetineerde is gericht tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij een klacht over een interne mutatie ontvankelijk, maar niet gegrond werd verklaard. De beroepscommissie wijst er vooreerst op dat de klacht terecht ontvankelijk werd verklaard, aangezien een beslissing tot interne mutatie minstens steeds een beslissing namens de directie is in de zin van artikel 148, eerste lid Basiswet.
De beroepscommissie is, net zoals de klachtencommissie, van oordeel dat de beslissing tot interne mutatie geen bestraffend karakter had. Klager werd na een tuchtzitting intern gemuteerd. De beroepscommissie acht het echter aannemelijk dat de mutatie niets te maken had met het aan klager ten laste gelegde tuchtfeit. In zijn beroepschrift voerde klager nog aan dat zijn overplaatsing in strijd was met de mensenrechten, aangezien hij over onvoldoende persoonlijke ruimte beschikte. De beroepscommissie wijst erop dat klager, zelfs volgens een berekening waarbij de door de sanitaire faciliteiten ingenomen plaats ruim wordt geïnterpreteerd, in ieder geval over meer dan 4m² persoonlijke ruimte beschikte. Klager beschikte dus over voldoende persoonlijke ruimte. De beroepscommissie beschikt niet over andere informatie waaruit zou blijken dat andere materiële detentieomstandigheden van klager tijdens zijn periode in deze cel een inbreuk zouden hebben uitgemaakt op artikel 3 EVRM. Het beroep is ontvankelijk, maar niet gegrond.