BC/24-0230
Ongegrond
Beroepscommissie
Beroepscommissie
Voorlopige maatregel
Tucht
TUCHT - VOORLOPIGE MAATREGEL
De motivering van de tuchtbeslissing gaat alleen in op het feit dat de klager de verblijfsruimte niet of onvoldoende rein hield. Over de identificatiebadge die de klager niet correct droeg, vermeldt de beslissing alleen dat de directie erop aandringt deze badge toch rond de nek te dragen. De beledigingen en de verbale agressie en de daaraan verbonden verstoring van de wandeling komen niet ter sprake, net zomin als hun juridische omschrijving als ‘opzettelijke aantasting van de psychische integriteit, of de bedreiging daarmee’. De beroepscommissie leidt hieruit af dat de zwaarte van de tuchtsanctie alleen werd bepaald door het tuchtfeit van de tweede categorie “niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”, meer bepaald de weigering van de klager zijn verblijfsruimte proper en opgeruimd te houden. De opgelegde sanctie is wettig en redelijk door het loutere feit van het niet proper houden van de verblijfsruimte. De discussie over de vraag of de klager de badge al dan niet correct droeg, draagt dan ook niet bij tot de beoordeling van de wettigheid en redelijkheid van deze tuchtbeslissing.
De voorlopige maatregel vermeldt de naam van de directeur die de beslissing nam. Weliswaar staat op de schriftelijke beslissing niet de handtekening van de directeur, wel van de penitentiair assistent die in naam van de directeur tekende. De vermelde naam van de directeur is de naam van de directeur die op dezelfde dag van de tuchtrapporten kennisnam. Gelet op de kennisname op de dag zelf van de feiten, is er geen reden om te veronderstellen dat de beslissing over de voorlopige maatregel niet door de directeur werd genomen. De uitleg van de directie dat deze directeur niet meer aanwezig was op het ogenblik van de schriftelijke redactie van de voorlopige maatregel is geloofwaardig. De klager nam inderdaad maar kennis van de beslissing om 19.35 uur.
De klachtencommissie oordeelde terecht dat het huishoudelijk reglement duidelijk bepaalt dat de badge met bijhorend lint zichtbaar en vooraan moet worden gedragen. Dit houdt in dat de badge aan het lint rond de hals wordt gedragen. De onvrede van de klager over het dragen van de badge verantwoordde in geen geval de belediging van het personeel en de verbale agressie.
De motivering van de tuchtbeslissing gaat alleen in op het feit dat de klager de verblijfsruimte niet of onvoldoende rein hield. Over de identificatiebadge die de klager niet correct droeg, vermeldt de beslissing alleen dat de directie erop aandringt deze badge toch rond de nek te dragen. De beledigingen en de verbale agressie en de daaraan verbonden verstoring van de wandeling komen niet ter sprake, net zomin als hun juridische omschrijving als ‘opzettelijke aantasting van de psychische integriteit, of de bedreiging daarmee’. De beroepscommissie leidt hieruit af dat de zwaarte van de tuchtsanctie alleen werd bepaald door het tuchtfeit van de tweede categorie “niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”, meer bepaald de weigering van de klager zijn verblijfsruimte proper en opgeruimd te houden. De opgelegde sanctie is wettig en redelijk door het loutere feit van het niet proper houden van de verblijfsruimte. De discussie over de vraag of de klager de badge al dan niet correct droeg, draagt dan ook niet bij tot de beoordeling van de wettigheid en redelijkheid van deze tuchtbeslissing.
De voorlopige maatregel vermeldt de naam van de directeur die de beslissing nam. Weliswaar staat op de schriftelijke beslissing niet de handtekening van de directeur, wel van de penitentiair assistent die in naam van de directeur tekende. De vermelde naam van de directeur is de naam van de directeur die op dezelfde dag van de tuchtrapporten kennisnam. Gelet op de kennisname op de dag zelf van de feiten, is er geen reden om te veronderstellen dat de beslissing over de voorlopige maatregel niet door de directeur werd genomen. De uitleg van de directie dat deze directeur niet meer aanwezig was op het ogenblik van de schriftelijke redactie van de voorlopige maatregel is geloofwaardig. De klager nam inderdaad maar kennis van de beslissing om 19.35 uur.
De klachtencommissie oordeelde terecht dat het huishoudelijk reglement duidelijk bepaalt dat de badge met bijhorend lint zichtbaar en vooraan moet worden gedragen. Dit houdt in dat de badge aan het lint rond de hals wordt gedragen. De onvrede van de klager over het dragen van de badge verantwoordde in geen geval de belediging van het personeel en de verbale agressie.