OVERPLAATSING - VERDOKEN TUCHT
De beroepscommissie stelt vooreerst vast dat beroepsindiener in essentie werd overgeplaatst wegens een negatief detentieparcours, nadat hij sinds zijn terugkeer na een ontvluchting tijdens een UV, in opspraak kwam inzake een onderzoek naar contrabande in de gevangenis en daarbij een personeelslid beschuldigde.
De beroepscommissie stelt op grond van het administratief dossier evenwel vast dat er geen tuchtdossier werd opgestart door de directie, ondanks de tuchtrechtelijk vervolgbare situatie op grond van artikel 129 7° van de basiswet (het bezit of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties) en – voor zover de valse aantijging als belediging kunnen worden opgevat- ook op grond van artikel 130, 1° van de basiswet.
De beroepscommissie kan dan ook niet anders dan vaststellen dat de hoofdreden van het verzoek tot overplaatsing eruit bestaat beroepsindiener te vervolgen voor de feiten die aanleiding hadden kunnen geven tot een tuchtsanctie.
Hoewel in het verweer van de directeur-generaal ook wordt gewezen op het “ordeverstorende” effect van de kwestieuze valselijke aantijgingen, is zij zich klaarblijkelijk ook bewust van de laakbare motivering van de beslissing: “Ik wil mijn motivering in bezwaar gerust wijzigen, inzake het verhoor als verdachte.”
Een motivering kan vanzelfsprekend niet a posteriori in het verweer worden rechtgezet.
De bestreden beslissing tot overplaatsing doet zich bijgevolg voor als verdoken tuchtsanctie , omdat uit de motivering ervan en het gehele administratief dossier hoofdzakelijk de bedoeling blijkt om beroepsindiener te straffen voor de tuchtrechtelijk vervolgbare feiten.
Het beroep is gegrond en de bestreden overplaatsing wordt vernietigd.
Aangezien bij vernietiging de gevolgen van de bestreden beslissing zoveel mogelijk ongedaan gemaakt moeten worden (artikel 162 par 3 juncto art. 158 par 4 van de basiswet), volgt hieruit dat beroepsindiener terug dient te worden geplaatst in de gevangenis van Oudenaarde.
De beroepscommissie stelt vooreerst vast dat beroepsindiener in essentie werd overgeplaatst wegens een negatief detentieparcours, nadat hij sinds zijn terugkeer na een ontvluchting tijdens een UV, in opspraak kwam inzake een onderzoek naar contrabande in de gevangenis en daarbij een personeelslid beschuldigde.
De beroepscommissie stelt op grond van het administratief dossier evenwel vast dat er geen tuchtdossier werd opgestart door de directie, ondanks de tuchtrechtelijk vervolgbare situatie op grond van artikel 129 7° van de basiswet (het bezit of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties) en – voor zover de valse aantijging als belediging kunnen worden opgevat- ook op grond van artikel 130, 1° van de basiswet.
De beroepscommissie kan dan ook niet anders dan vaststellen dat de hoofdreden van het verzoek tot overplaatsing eruit bestaat beroepsindiener te vervolgen voor de feiten die aanleiding hadden kunnen geven tot een tuchtsanctie.
Hoewel in het verweer van de directeur-generaal ook wordt gewezen op het “ordeverstorende” effect van de kwestieuze valselijke aantijgingen, is zij zich klaarblijkelijk ook bewust van de laakbare motivering van de beslissing: “Ik wil mijn motivering in bezwaar gerust wijzigen, inzake het verhoor als verdachte.”
Een motivering kan vanzelfsprekend niet a posteriori in het verweer worden rechtgezet.
De bestreden beslissing tot overplaatsing doet zich bijgevolg voor als verdoken tuchtsanctie , omdat uit de motivering ervan en het gehele administratief dossier hoofdzakelijk de bedoeling blijkt om beroepsindiener te straffen voor de tuchtrechtelijk vervolgbare feiten.
Het beroep is gegrond en de bestreden overplaatsing wordt vernietigd.
Aangezien bij vernietiging de gevolgen van de bestreden beslissing zoveel mogelijk ongedaan gemaakt moeten worden (artikel 162 par 3 juncto art. 158 par 4 van de basiswet), volgt hieruit dat beroepsindiener terug dient te worden geplaatst in de gevangenis van Oudenaarde.