BC/24-0309
Gegrond
Beroepscommissie
Beroepscommissie
Individueel bijzonder veiligheidsregime
IBVR - HERNIEUWING - OVERBRENGING - ZEDENDELINQUENT
De beroepscommissie stelt vast dat de bestreden beslissing een hybride karakter heeft, in de mate dat er sprake is van een “beslissing van de directeur-generaal tot hernieuwing van de plaatsing in individueel bijzonder veiligheidsregime na transfer”.Deze vaststelling weerspiegelt zich ook in de gevolgde procedure, waarin sprake is van oneigenlijke samenloop van de procedure overbrenging lopende een IBVR en de procedure hernieuwing van een IBVR.
Echter had enkel de procedure van artikel 118 §8 lid 1 kunnen worden gevolgd en had de directeur van de gevangenis van Brugge zich moeten beperken tot het horen van beroepsindiener en het geven van een advies over de handhaving van de maatregel zoals eerder opgelegd in de gevangenis van Haren, ten behoeve van de door de directeur-generaal te nemen beslissing tot verdere plaatsing na overbrenging.
In plaats daarvan formuleerde de directeur te Brugge op 27 augustus 2024 een nieuw ‘voorstel tot hernieuwing van het IBVR’ , aldus in de zin van artikel 118 §7 lid 3, waarin nota bene volgende verstrengingen werden voorgesteld ten opzichte van de -op dat moment nog steeds lopende- plaatsingsbeslissing.
De adviseur-generaal bevestigde vervolgens het voorstel in al zijn maatregelen voor een periode van twee maanden, te “van 30/08/2024 tot en met 28/10/2024”.
Op deze manier verlengde en verstrengde de directeur-generaal het initiële IBVR voorbarig en buitenproportioneel met een duur van twee maanden, terwijl zij hoogstens:
- een beslissing kon nemen tot ‘verdere plaatsing’ na transfer op advies van de directie van Brugge over een eventueel behoud van het regime aldaar tot 8 oktober 2024 (artikel 118 §8 lid 1 van de basiswet);
- dan wel “een einde had kunnen maken de plaatsing of de plaatsingsmaatregelen milderen.” (artikel 118 §7 lid 2 van de basiswet ).
In plaats daarvan nam de directeur-generaal een hybride beslissing tot ‘hernieuwing (en verstrenging) van het IBVR na transfer’, op basis van een onwettig procedure verloop.
De “voortdurende bedreiging” waarvan eerder sprake in Haren, was echter niet zonder meer door te trekken naar de gevangenis van Brugge, alwaar hij juist ook werd overgeplaatst in de hoop daar beter het hoofd te kunnen bieden aan mogelijke bedreigingen door medegedetineerden. De latere incidenten te Brugge zijn van een totaal andere aard (automutilatie) en had de directie kunnen opvangen met gewone, kortdurende bijzondere veiligheidsmaatregelen.
De bestreden beslissing dient dan ook te worden vernietigd.
De beroepscommissie stelt vast dat de bestreden beslissing een hybride karakter heeft, in de mate dat er sprake is van een “beslissing van de directeur-generaal tot hernieuwing van de plaatsing in individueel bijzonder veiligheidsregime na transfer”.Deze vaststelling weerspiegelt zich ook in de gevolgde procedure, waarin sprake is van oneigenlijke samenloop van de procedure overbrenging lopende een IBVR en de procedure hernieuwing van een IBVR.
Echter had enkel de procedure van artikel 118 §8 lid 1 kunnen worden gevolgd en had de directeur van de gevangenis van Brugge zich moeten beperken tot het horen van beroepsindiener en het geven van een advies over de handhaving van de maatregel zoals eerder opgelegd in de gevangenis van Haren, ten behoeve van de door de directeur-generaal te nemen beslissing tot verdere plaatsing na overbrenging.
In plaats daarvan formuleerde de directeur te Brugge op 27 augustus 2024 een nieuw ‘voorstel tot hernieuwing van het IBVR’ , aldus in de zin van artikel 118 §7 lid 3, waarin nota bene volgende verstrengingen werden voorgesteld ten opzichte van de -op dat moment nog steeds lopende- plaatsingsbeslissing.
De adviseur-generaal bevestigde vervolgens het voorstel in al zijn maatregelen voor een periode van twee maanden, te “van 30/08/2024 tot en met 28/10/2024”.
Op deze manier verlengde en verstrengde de directeur-generaal het initiële IBVR voorbarig en buitenproportioneel met een duur van twee maanden, terwijl zij hoogstens:
- een beslissing kon nemen tot ‘verdere plaatsing’ na transfer op advies van de directie van Brugge over een eventueel behoud van het regime aldaar tot 8 oktober 2024 (artikel 118 §8 lid 1 van de basiswet);
- dan wel “een einde had kunnen maken de plaatsing of de plaatsingsmaatregelen milderen.” (artikel 118 §7 lid 2 van de basiswet ).
In plaats daarvan nam de directeur-generaal een hybride beslissing tot ‘hernieuwing (en verstrenging) van het IBVR na transfer’, op basis van een onwettig procedure verloop.
De “voortdurende bedreiging” waarvan eerder sprake in Haren, was echter niet zonder meer door te trekken naar de gevangenis van Brugge, alwaar hij juist ook werd overgeplaatst in de hoop daar beter het hoofd te kunnen bieden aan mogelijke bedreigingen door medegedetineerden. De latere incidenten te Brugge zijn van een totaal andere aard (automutilatie) en had de directie kunnen opvangen met gewone, kortdurende bijzondere veiligheidsmaatregelen.
De bestreden beslissing dient dan ook te worden vernietigd.