TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES
De basiswet stelt geen bijzonder bewijsstelsel in. De directeur kan het bewijs van het tuchtrechtelijk gesanctioneerd feit niet alleen laten steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen en vermoedens. Bij gebrek aan een regeling van de bewijswaarde komt het de directie toe binnen de grenzen van de redelijkheid de bewijswaarde te beoordelen van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen. Het rapport voor de directeur dat een penitentiair beambte opstelt wanneer hij een feit vaststelt waarvan hij vermoedt dat het een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakt, zoals artikel 144 van de basiswet voorschrijft, is een gegeven waarop de directie haar beoordeling van het bestaan en de ernst van de feiten kan steunen. Dit neemt niet weg dat wanneer de feiten worden betwist, het de directie toekomt rekening te houden met het verweer van de gedetineerde om de bewijswaarde van het rapport te beoordelen.
De beroepscommissie ziet geen reden om te twijfelen aan het rapport waarin de penitentiair beambte gedetailleerd beschreef dat de klager, op het ogenblik waarop hij naar de opleiding ging vertrekken, een papiertje uit zijn broekzak nam en openvouwde, ernaar keek en het opnieuw toevouwde en in zijn broekzak stak en dat de klager, toen hij aan de kledij werd onderzocht en werd aangesproken op wat hij had weggestopt, terug de cel inging en het papiertje in de vuilnisbak gooide. Zoals de directie tijdens de tuchtzitting vermeldde, verhindert het feit dat de klager geen roker zou zijn, niet dat de klager in het bezit van de verboden substantie was, al dan niet om die door te geven. Bij gebrek aan een geloofwaardige betwisting van de klager kon de directie in redelijkheid het tuchtfeit bewezen verklaren.
De basiswet stelt geen bijzonder bewijsstelsel in. De directeur kan het bewijs van het tuchtrechtelijk gesanctioneerd feit niet alleen laten steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen en vermoedens. Bij gebrek aan een regeling van de bewijswaarde komt het de directie toe binnen de grenzen van de redelijkheid de bewijswaarde te beoordelen van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen. Het rapport voor de directeur dat een penitentiair beambte opstelt wanneer hij een feit vaststelt waarvan hij vermoedt dat het een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakt, zoals artikel 144 van de basiswet voorschrijft, is een gegeven waarop de directie haar beoordeling van het bestaan en de ernst van de feiten kan steunen. Dit neemt niet weg dat wanneer de feiten worden betwist, het de directie toekomt rekening te houden met het verweer van de gedetineerde om de bewijswaarde van het rapport te beoordelen.
De beroepscommissie ziet geen reden om te twijfelen aan het rapport waarin de penitentiair beambte gedetailleerd beschreef dat de klager, op het ogenblik waarop hij naar de opleiding ging vertrekken, een papiertje uit zijn broekzak nam en openvouwde, ernaar keek en het opnieuw toevouwde en in zijn broekzak stak en dat de klager, toen hij aan de kledij werd onderzocht en werd aangesproken op wat hij had weggestopt, terug de cel inging en het papiertje in de vuilnisbak gooide. Zoals de directie tijdens de tuchtzitting vermeldde, verhindert het feit dat de klager geen roker zou zijn, niet dat de klager in het bezit van de verboden substantie was, al dan niet om die door te geven. Bij gebrek aan een geloofwaardige betwisting van de klager kon de directie in redelijkheid het tuchtfeit bewezen verklaren.