Ga verder naar de inhoud

BC/24-0365

Gegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Andere beslissing directeur
DEPONERING VOORWERPEN

Klager dient beroep in tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij zijn klacht over het leegmaken van zijn cel tijdens zijn tijdelijke overbrenging ongegrond werd verklaard. De beroepscommissie stelt net zoals de klachtencommissie vast dat er geen specifieke regels bestaan (noch in de Basiswet, noch in collectieve brief nr. 113) over een tijdelijke overbrenging van een gedetineerde en wat in afwachting van zijn terugkeer met zijn goederen en/of de cel waarin hij verbleef kan of moet gebeuren. De beroepscommissie acht het eveneens redelijk en logisch dat de directie in deze situatie de bepalingen uit titel 6.4.2 van collectieve brief nr. 113 per analogie heeft toegepast.

De beroepscommissie kan de klachtencommissie volgen in haar oordeel over de beslissing van de directie om de goederen van klager uit zijn cel te halen tijdens zijn tijdelijke overbrenging. Dat de directie, zeker in tijden van overbevolking, een cel niet voor een onbepaalde tijd onbezet kan laten, is begrijpelijk. Dat klagers cel dus werd leeggehaald, is geen schending van zijn privacy of andere rechten.

De beroepscommissie kan de klachtencommissie echter niet volgen in haar oordeel dat “ondanks er geen specifieke regels zijn voor de situatie van klager de directie de procedures inzake het overbrengen van persoonlijke spullen heeft nageleefd”. Collectieve brief nr. 113 bepaalt immers nog dat er een ontvangstbewijs wordt opgesteld, waarin de voorwerpen, de staat waarin deze voorwerpen zich bevinden en het nummer van de doos waarin de voorwerpen zich bevinden, wordt opgemaakt. Dit ontvangstbewijs moet worden gedateerd en o.a. ondertekend door de gedetineerde. Het ontvangstbewijs wordt daarna opgenomen in de inventaris van bewaargeving van de gedetineerde. Klager heeft geen dergelijk ontvangstbewijs ontvangen. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.