Ga verder naar de inhoud

BC/24-0377

Gegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Voorlopige maatregel
VOORLOPIGE MAATREGEL

Het inrichtingshoofd heeft beroep aangetekend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij een klacht tegen een voorlopige maatregel gegrond werd verklaard. De klachtencommissie oordeelde dat noch uit het RAD, noch uit de voorlopige maatregel de voorafgaandelijke tussenkomst van een directielid bleek bij het opleggen van de maatregel. Zij vond dat het RAD deed uitschijnen dat de personeelsleden zelf, in onderling overleg, hadden beslist om klager op de beveiligde cel te plaatsen en er nergens melding werd gemaakt dat de directie werd gecontacteerd. Volgens de beroepscommissie blijkt uit het RAD inderdaad niet ondubbelzinnig dat de voorlopige maatregel door de directeur werd genomen. Evenmin blijkt echter uit het RAD, zoals de klachtencommissie heeft aangenomen, dat de betrokken personeelsleden zelf zouden zijn overgegaan tot het opleggen van de voorlopige maatregel. Uit de passieve zinsconstructie (“wordt in overleg besloten”) blijkt niet tussen wie het overleg heeft plaatsgevonden en wie de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel heeft genomen.

De beroepscommissie is van oordeel dat de directie in haar beroepschrift genoegzaam heeft aangetoond dat zij wel degelijk de voorlopige maatregel heeft bevolen. De beroepscommissie wijst erop dat bij onduidelijkheid zoals in dit dossier de klachtencommissie een zitting dient te organiseren. Het organiseren van een zitting, waarop de klachtencommissie nader onderzoek kon voeren naar wie de voorlopige maatregel had genomen, had in dit dossier naar het oordeel van de beroepscommissie verduidelijkt dat het wel degelijk de directie was die de beslissing tot voorlopige maatregel had opgelegd. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.