VOORLOPIGE MAATREGEL - ERNSTIGE EN OPZETTELIJKE AANTASTING VAN DE INTERNE VEILIGHEID
De voorlopige maatregel werd opgelegd met de motivering dat tijdens een celcontrole een verdachte substantie werd aangetroffen en eventueel gebruik van ongekende substanties kan leiden tot onvoorspelbaar gedrag waardoor de veiligheid van de instelling in het gedrang kan komen.
Het verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte kan alleen als voorlopige maatregel worden opgelegd (1) in geval van ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid of (2) indien door het aanzetten of voeren van collectieve acties de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar wordt gebracht (artikel 145, § 1, eerste lid, basiswet).
De interne veiligheid is “een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding” (artikel 2, 9°, basiswet). Een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid vereist dan ook dat de vrijwaring van de fysieke integriteit van personen of de integriteit van goederen ernstig in het gedrang komt.
De motivering van de voorlopige maatregel, die de “ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” afleidt uit het risico dat het gebruik van de ‘verdachte’ of ‘ongekende’ substantie onvoorspelbaar gedrag kan meebrengen, impliceert dat de loutere vondst van een ‘verdachte’ of ‘ongekende’ substantie als zodanig steeds een “ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” inhoudt, ongeacht de concrete omstandigheden zoals, bijvoorbeeld, de hoeveelheid van de aangetroffen substantie (wat kan wijzen op handel) of druggerelateerd probleemgedrag van de betrokkene gedetineerde hetzij in het verleden, wat uit tuchtrechtelijke antecedenten kan blijken, hetzij op het ogenblik van de vondst. Er is bovendien niets dat de directeur belet voorlopige maatregelen op te leggen op een later ogenblik wanneer de fysieke integriteit van personen of de integriteit van goederen werkelijk ernstig in het gedrang dreigt te komen. De voorlopige maatregel kan immers worden genomen tot op het ogenblik waarop de beslissing tot tuchtsanctie mondeling aan de gedetineerde wordt meegedeeld. Voorlopige maatregelen mogen overigens niet met het oog op onmiddellijke bestraffing worden genomen (artikel 145, § 2, van de basiswet), wat impliceert dat zij alleen kunnen worden genomen om de orde en de veiligheid te handhaven in afwachting van de behandeling van de tuchtzaak. De vaststelling dat als voorlopige maatregelen de in artikel 112 bedoelde bijzondere veiligheidsmaatregelen kunnen worden opgelegd, onderstreept dit. De wetgever expliciteerde de bedoeling om voorlopige maatregelen te beperken tot de meest ernstige situaties.
De afwezigheid van aanwijzingen dat ook na de vondst een verder gebruik van ‘verdachte’ of ‘ongekende’ substanties kon worden gevreesd, onderstreepte des te meer dat niet zonder meer tot een “ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” kon worden besloten.
De voorlopige maatregel werd opgelegd met de motivering dat tijdens een celcontrole een verdachte substantie werd aangetroffen en eventueel gebruik van ongekende substanties kan leiden tot onvoorspelbaar gedrag waardoor de veiligheid van de instelling in het gedrang kan komen.
Het verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte kan alleen als voorlopige maatregel worden opgelegd (1) in geval van ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid of (2) indien door het aanzetten of voeren van collectieve acties de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar wordt gebracht (artikel 145, § 1, eerste lid, basiswet).
De interne veiligheid is “een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding” (artikel 2, 9°, basiswet). Een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid vereist dan ook dat de vrijwaring van de fysieke integriteit van personen of de integriteit van goederen ernstig in het gedrang komt.
De motivering van de voorlopige maatregel, die de “ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” afleidt uit het risico dat het gebruik van de ‘verdachte’ of ‘ongekende’ substantie onvoorspelbaar gedrag kan meebrengen, impliceert dat de loutere vondst van een ‘verdachte’ of ‘ongekende’ substantie als zodanig steeds een “ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” inhoudt, ongeacht de concrete omstandigheden zoals, bijvoorbeeld, de hoeveelheid van de aangetroffen substantie (wat kan wijzen op handel) of druggerelateerd probleemgedrag van de betrokkene gedetineerde hetzij in het verleden, wat uit tuchtrechtelijke antecedenten kan blijken, hetzij op het ogenblik van de vondst. Er is bovendien niets dat de directeur belet voorlopige maatregelen op te leggen op een later ogenblik wanneer de fysieke integriteit van personen of de integriteit van goederen werkelijk ernstig in het gedrang dreigt te komen. De voorlopige maatregel kan immers worden genomen tot op het ogenblik waarop de beslissing tot tuchtsanctie mondeling aan de gedetineerde wordt meegedeeld. Voorlopige maatregelen mogen overigens niet met het oog op onmiddellijke bestraffing worden genomen (artikel 145, § 2, van de basiswet), wat impliceert dat zij alleen kunnen worden genomen om de orde en de veiligheid te handhaven in afwachting van de behandeling van de tuchtzaak. De vaststelling dat als voorlopige maatregelen de in artikel 112 bedoelde bijzondere veiligheidsmaatregelen kunnen worden opgelegd, onderstreept dit. De wetgever expliciteerde de bedoeling om voorlopige maatregelen te beperken tot de meest ernstige situaties.
De afwezigheid van aanwijzingen dat ook na de vondst een verder gebruik van ‘verdachte’ of ‘ongekende’ substanties kon worden gevreesd, onderstreepte des te meer dat niet zonder meer tot een “ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” kon worden besloten.