Ga verder naar de inhoud

BC/25-0081

Ongegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Voorlopige maatregel Tucht Ordemaatregel
ARBEID - ONTSLAG - TUCHT

Op 26 november 2024 ontvangt betrokkene een rapport aan de directeur (RAD) nadat hij betrokken geraakte in een gevecht op de gemeenschappelijke wandeling. Naar aanleiding van deze feiten werd er beslist om op 26 november 2024 een voorlopige maatregel ten aanzien van klager te nemen, namelijk de plaatsing op een beveiligde cel. Vervolgens werd klager op 29 november 2024 tuchtrechtelijk gesanctioneerd.

Wat betreft de voorlopige maatregel, oordeelde de klachtencommissie dat de directie terecht een voorlopige maatregel kon opleggen gelet op de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Klager was betrokken bij een gevecht op de gemeenschappelijke wandeling, waarbij hij een medegedetineerde ongeveer twee minuten bleef slaan en stampen, wat een duidelijk gevaar voor de fysieke integriteit van anderen en de interne veiligheid vormde. De opgelegde maatregel – de plaatsing in de beveiligde cel – was volgens de klachtencommissie proportioneel, voldoende gemotiveerd en had geen bestraffend karakter. De klachtencommissie verklaarde de klacht tegen deze voorlopige maatregel terecht ongegrond.

Wat betreft de tuchtbeslissing, brengt de beroepscommissie haar vaste rechtspraak in herinnering, waarbij zij benadrukt dat de directie als tuchtoverheid bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid heeft. Een klachtencommissie is bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig gebeurde, of er werd uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of de directie de haar toekomende appreciatiebevoegdheid op een zorgvuldige wijze heeft uitgeoefend. De beroepscommissie bevestigt de beslissingen van de klachtencommissie inzake zowel de voorlopige maatregel van 26 november 2024 als de tuchtbeslissing van 29 november 2024. Klager heeft geen nieuwe of overtuigende elementen aangevoerd die tot een andere beoordeling zouden kunnen leiden. Het beroep is op deze punten dan ook ongegrond.

Ten slotte dient klager beroep in tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij zijn klacht tegen zijn ontslag van 29 november 2024 als fitnessdiender ontvankelijk, maar ongegrond werd verklaard. De beroepscommissie sluit zich hierbij aan. Ook al wijst klager erop dat de feiten die tot de tuchtsanctie hebben geleid zich niet op de werkvloer hebben afgespeeld, blijft het zo dat een gedetineerde weet – of minstens behoort te weten – dat zijn gedrag een onmiddellijke impact kan hebben op zijn tewerkstelling en op de continuïteit van het werk dat hem werd toevertrouwd. De beslissing van de directie om klager uit zijn functie te ontslaan was dan ook niet onwettig, noch onredelijk of onbillijk. Het beroep is op dit punt dan ook ongegrond.

Het beroep is ongegrond.
Er werd een klachtendossier met referentie KC04/24-0374 opgestart