ORDEMAATREGEL - ONTSLAG - HOORPLICHT - RECHTSMACHT
Uit een gegrondverklaring van de klacht, vloeit evident voort dat de bestreden beslissing wordt vernietigd. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 158 §3 van de basiswet heeft de klachtencommissie vervolgens drie mogelijkheden en “kan ze:
1° de directeur opdragen, binnen een door haar bepaalde termijn, een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak;
2° bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing;
3° zich beperken tot een gehele of gedeeltelijke vernietiging van de beslissing.”
In casu beperkte de klachtencommissie zich tot de vernietiging van de ontslagbeslissing zonder meer (artikel 158 §3, 3° van de basiswet).
Anders dan het inrichtingshoofd aanvoert, besliste de klachtencommissie vervolgens geenszins uitdrukkelijk dat klager opnieuw als diender moet tewerkgesteld worden.
De klachtencommissie bepaalde niet dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing (artikel 158 §3, 2° van de basiswet° en raakte aldus niet aan de discretionaire bevoegdheid of verantwoordelijkheid van de directie.
Hoewel zij de directie overeenkomstig artikel 158 §3, 1° van de basiswet niet uitdrukkelijk heeft opgedragen om een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak, onderstreept de beroepscommissie dat de klachtencommissie daarmee geenszins de bevoegdheid uitsluit om een nieuwe beslissing te nemen, ditmaal met eerbiediging van de formele vereisten (in casu de hoor- en motiveringsplicht).
Door zich te beperken tot de vernietiging, is de bestreden beslissing louter uit het rechtsverkeer verdwenen. Het stond de directie vrij om meteen het nodige te doen om een nieuwe beslissing te nemen (al dan niet met hetzelfde resultaat) in plaats van hierover een beroep aan te tekenen.
Uit een gegrondverklaring van de klacht, vloeit evident voort dat de bestreden beslissing wordt vernietigd. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 158 §3 van de basiswet heeft de klachtencommissie vervolgens drie mogelijkheden en “kan ze:
1° de directeur opdragen, binnen een door haar bepaalde termijn, een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak;
2° bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing;
3° zich beperken tot een gehele of gedeeltelijke vernietiging van de beslissing.”
In casu beperkte de klachtencommissie zich tot de vernietiging van de ontslagbeslissing zonder meer (artikel 158 §3, 3° van de basiswet).
Anders dan het inrichtingshoofd aanvoert, besliste de klachtencommissie vervolgens geenszins uitdrukkelijk dat klager opnieuw als diender moet tewerkgesteld worden.
De klachtencommissie bepaalde niet dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing (artikel 158 §3, 2° van de basiswet° en raakte aldus niet aan de discretionaire bevoegdheid of verantwoordelijkheid van de directie.
Hoewel zij de directie overeenkomstig artikel 158 §3, 1° van de basiswet niet uitdrukkelijk heeft opgedragen om een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak, onderstreept de beroepscommissie dat de klachtencommissie daarmee geenszins de bevoegdheid uitsluit om een nieuwe beslissing te nemen, ditmaal met eerbiediging van de formele vereisten (in casu de hoor- en motiveringsplicht).
Door zich te beperken tot de vernietiging, is de bestreden beslissing louter uit het rechtsverkeer verdwenen. Het stond de directie vrij om meteen het nodige te doen om een nieuwe beslissing te nemen (al dan niet met hetzelfde resultaat) in plaats van hierover een beroep aan te tekenen.