Ga verder naar de inhoud

BC/25-0124

Gegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Individueel bijzonder veiligheidsregime
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME - GEINTERNEERDE- ONTVANKELIJKHEID- HOORPLICHT - MEDISCH ADVIES

De beroepscommissie buigt zich vooreerst over de ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep, aangezien de directeur-generaal in hoofdorde van oordeel is dat het beroep laattijdig werd ingediend.
Het beroepschrift dateert van 11 april 2025 en het administratief dossier bevat een bewijs van betekening aan beroepsindiener op 27 maart 2025, zodat de termijn van zeven dagen uit artikel 165 §2 van de basiswet strikt genomen werd overgeschreden.
De directeur-generaal ziet evenwel over het hoofd dat overeenkomstig 118 §10 jo. de artikelen 165 §4 en 150 §5 lid 2 van de basiswet, een na afloop van de beroepstermijn ingediende klacht niettemin ontvankelijk is indien blijkt dat, “rekening houdend met alle omstandigheden”, de gedetineerde “zo spoedig mogelijk” beroep heeft ingediend “als redelijkerwijs van hem verwacht kon worden”.
In zoverre de directeur-generaal er nog op wijst dat op de bestreden beslissing duidelijk de beroepsmogelijkheid vermeldt, dient opnieuw te worden rekening gehouden met het feit dat beroepsindiener:
- het statuut heeft van geïnterneerde en klaarblijkelijk nog niet behoorlijk werd bijgestaan door een raadsman tijdens de procedure;
- op de beveiligde cel verbleef, zodat het ook in dat opzicht niet ondenkbaar is dat hij pas laattijdig in het bezit werd gesteld van het correcte formulier om beroep in te dienen.
Al deze specifieke omstandigheden in acht genomen, neemt de beroepscommissie aan dat beroepsindiener tijdig zijn intentie om beroep in te dienen tegen het IBVR heeft kenbaar gemaakt en dat hij vervolgens het beroep via het correcte formulier zo snel mogelijk heeft ingediend als van hem kon worden verwacht.

De beoordeling over de ontvankelijkheid, raakt meteen aan de grond van de zaak, aangezien boven reeds werd vastgesteld dat beroepsindiener:
- geen kennis had van het voorstel van de directeur vooraleer hij werd gehoord;
- bovendien zonder bijstand van zijn raadsman werd gehoord.
Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat de in artikel 118 §3 van de basiswet verankerde hoorplicht werd geschonden.

Het administratief dossier bevat bovendien slechts een onvolledig medisch advies, zodat er aldus sprake is van meerdere procedurele nalatigheden in verband met substantiële vormvereisten in het kader een de procedure tot plaatsing in IBVR, overeenkomstig artikel 118 §1-3 van de basiswet.