BC/25-0226
Ongegrond
Gegrond
Beroepscommissie
Beroepscommissie
Individueel bijzonder veiligheidsregime
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME
De beroepsindienster heeft beroep ingediend tegen de hernieuwing van haar individueel bijzonder veiligheidsregime. De beroepscommissie stelt vast dat er ten aanzien van de beroepsindienster vier maatregelen werden opgelegd. Wat betreft drie daarvan (het verbod om deel te nemen aan gemeenschappelijke of individuele activiteiten, de beperking van het bezoek in een lokaal dat voorzien is van een transparante wand die de bezoekers van de gedetineerde scheidt en het ontnemen of onthouden van voorwerpen) bevestigt de beroepscommissie dat zowel aan de inhoudelijke vereisten voor het opleggen van een individueel bijzonder veiligheidsregime werd voldaan als de relevante procedurele vereisten werden nageleefd. Dat de directie en directrice-generaal geen nieuwe incidenten hebben aangehaald en zij zelfs hebben vastgesteld dat er lichte verbeteringen merkbaar zijn in het gedrag van de beroepsindienster, doet niets af aan het feit dat er nog steeds een voortdurende bedreiging van de veiligheid uitgaat van de beroepsindienster. De directrice-generaal nam de lichte verbeteringen in het gedrag van de beroepsindienster in rekening door de voorgestelde versoepelingen in het regime op te nemen.
Wat betreft de vierde maatregel (de onderbrenging in een beveiligde cel) wijst de beroepscommissie erop dat deze maatregel niet werd voorgesteld door de directeur van Hasselt. De directrice-generaal kon deze vierde maatregel dus niet zomaar ex officio opleggen, zonder dat deze door de directeur was voorgesteld. Door het ontbreken van deze maatregel in het voorstel van de directie heeft de geneesheer-psychiater geen medisch advies kunnen verstrekken over de verenigbaarheid van deze maatregel met de gezondheidstoestand van de beroepsindienster. Bovendien werden de beroepsindienster en haar advocaat hierdoor op het hoormoment met de directie evenmin in de gelegenheid gesteld om over deze specifieke maatregel en de verdere noodzaak ervan naar aanleiding van de hernieuwing van het regime hun eventuele verweermiddelen te doen gelden. Dat in vorige beslissingen tot hernieuwing van het individueel bijzonder veiligheidsregime ten aanzien van de beroepsindienster deze specifieke maatregel werd opgelegd, kon niet zomaar de redelijke verwachting scheppen dat dit naar aanleiding van de in dit dossier bestreden hernieuwingsbeslissing ook het geval zou zijn.
Het beroep is ontvankelijk en gegrond, maar enkel voor wat betreft de opgelegde maatregel van de onderbrenging in een beveiligde cel. Voor het overige is het beroep ontvankelijk, maar ongegrond.
De beroepsindienster heeft beroep ingediend tegen de hernieuwing van haar individueel bijzonder veiligheidsregime. De beroepscommissie stelt vast dat er ten aanzien van de beroepsindienster vier maatregelen werden opgelegd. Wat betreft drie daarvan (het verbod om deel te nemen aan gemeenschappelijke of individuele activiteiten, de beperking van het bezoek in een lokaal dat voorzien is van een transparante wand die de bezoekers van de gedetineerde scheidt en het ontnemen of onthouden van voorwerpen) bevestigt de beroepscommissie dat zowel aan de inhoudelijke vereisten voor het opleggen van een individueel bijzonder veiligheidsregime werd voldaan als de relevante procedurele vereisten werden nageleefd. Dat de directie en directrice-generaal geen nieuwe incidenten hebben aangehaald en zij zelfs hebben vastgesteld dat er lichte verbeteringen merkbaar zijn in het gedrag van de beroepsindienster, doet niets af aan het feit dat er nog steeds een voortdurende bedreiging van de veiligheid uitgaat van de beroepsindienster. De directrice-generaal nam de lichte verbeteringen in het gedrag van de beroepsindienster in rekening door de voorgestelde versoepelingen in het regime op te nemen.
Wat betreft de vierde maatregel (de onderbrenging in een beveiligde cel) wijst de beroepscommissie erop dat deze maatregel niet werd voorgesteld door de directeur van Hasselt. De directrice-generaal kon deze vierde maatregel dus niet zomaar ex officio opleggen, zonder dat deze door de directeur was voorgesteld. Door het ontbreken van deze maatregel in het voorstel van de directie heeft de geneesheer-psychiater geen medisch advies kunnen verstrekken over de verenigbaarheid van deze maatregel met de gezondheidstoestand van de beroepsindienster. Bovendien werden de beroepsindienster en haar advocaat hierdoor op het hoormoment met de directie evenmin in de gelegenheid gesteld om over deze specifieke maatregel en de verdere noodzaak ervan naar aanleiding van de hernieuwing van het regime hun eventuele verweermiddelen te doen gelden. Dat in vorige beslissingen tot hernieuwing van het individueel bijzonder veiligheidsregime ten aanzien van de beroepsindienster deze specifieke maatregel werd opgelegd, kon niet zomaar de redelijke verwachting scheppen dat dit naar aanleiding van de in dit dossier bestreden hernieuwingsbeslissing ook het geval zou zijn.
Het beroep is ontvankelijk en gegrond, maar enkel voor wat betreft de opgelegde maatregel van de onderbrenging in een beveiligde cel. Voor het overige is het beroep ontvankelijk, maar ongegrond.