OVERPLAATSING
De beroepsindiener heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de directrice-generaal over zijn bezwaarschrift, na vernietiging door de beroepscommissie van de eerdere beslissing van de directrice-generaal over dat bezwaarschrift (BC/25-0132).
De beroepscommissie stelt vast dat de directrice-generaal zich heeft ingeschakeld in de logica en redenering dat de beslissingsbevoegdheid tot het hebben overgeplaatst van de beroepsindiener de iure bij DG EPI berustte en dat de ‘opdracht’ van het federaal parket moe(s)t worden begrepen als een advies of vraag van het parket – en geen beslissing – op basis waarvan DG EPI vervolgens zelf overeenkomstig artikel 18 Basiswet kon beslissen om de beroepsindiener over te plaatsen. Dat er geen op schrift gestelde beslissing van de DDB overeenkomstig artikel 18 Basiswet zou voorliggen, doet niets aan het bovenstaande af. De directrice-generaal werd na de vernietiging van haar eerdere beslissing immers teruggezet in de situatie waarbij zij een beslissing diende te nemen over het bezwaarschrift van de beroepsindiener. Het was volgens de beroepscommissie in dit specifieke dossier niet nodig om eerst aan DDB op te dragen een beslissing op schrift te stellen, waartegen de beroepsindiener overeenkomstig de artikelen 163 e.v. Basiswet een bezwaar kon indienen en waartegen hij vervolgens desgewenst overeenkomstig de artikelen 165 e.v. Basiswet een beroep kon indienen.
De beroepscommissie wijst er vervolgens nog op dat DG EPI zich terecht en rechtmatig heeft beroepen op artikel 8 Basiswet. Zij bevestigt ook dat er wel degelijk ernstige veiligheidsredenen bestonden die de onmiddellijke overplaatsing van de beroepsindiener van de gevangenis van Haren naar Brugge rechtvaardigden. Gelet op alle omstandigheden is de beroepscommissie van oordeel dat de beslissing om de beroepsindiener over te plaatsen wettig, redelijk en billijk was en de penitentiaire administratie haar – in dit kader ruime – discretionaire bevoegdheid niet heeft overschreden. De directrice-generaal heeft het bezwaar van de beroepsindiener dan ook terecht afgewezen als ontvankelijk, maar ongegrond.
Het beroep is ontvankelijk, maar niet gegrond.
De beroepsindiener heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de directrice-generaal over zijn bezwaarschrift, na vernietiging door de beroepscommissie van de eerdere beslissing van de directrice-generaal over dat bezwaarschrift (BC/25-0132).
De beroepscommissie stelt vast dat de directrice-generaal zich heeft ingeschakeld in de logica en redenering dat de beslissingsbevoegdheid tot het hebben overgeplaatst van de beroepsindiener de iure bij DG EPI berustte en dat de ‘opdracht’ van het federaal parket moe(s)t worden begrepen als een advies of vraag van het parket – en geen beslissing – op basis waarvan DG EPI vervolgens zelf overeenkomstig artikel 18 Basiswet kon beslissen om de beroepsindiener over te plaatsen. Dat er geen op schrift gestelde beslissing van de DDB overeenkomstig artikel 18 Basiswet zou voorliggen, doet niets aan het bovenstaande af. De directrice-generaal werd na de vernietiging van haar eerdere beslissing immers teruggezet in de situatie waarbij zij een beslissing diende te nemen over het bezwaarschrift van de beroepsindiener. Het was volgens de beroepscommissie in dit specifieke dossier niet nodig om eerst aan DDB op te dragen een beslissing op schrift te stellen, waartegen de beroepsindiener overeenkomstig de artikelen 163 e.v. Basiswet een bezwaar kon indienen en waartegen hij vervolgens desgewenst overeenkomstig de artikelen 165 e.v. Basiswet een beroep kon indienen.
De beroepscommissie wijst er vervolgens nog op dat DG EPI zich terecht en rechtmatig heeft beroepen op artikel 8 Basiswet. Zij bevestigt ook dat er wel degelijk ernstige veiligheidsredenen bestonden die de onmiddellijke overplaatsing van de beroepsindiener van de gevangenis van Haren naar Brugge rechtvaardigden. Gelet op alle omstandigheden is de beroepscommissie van oordeel dat de beslissing om de beroepsindiener over te plaatsen wettig, redelijk en billijk was en de penitentiaire administratie haar – in dit kader ruime – discretionaire bevoegdheid niet heeft overschreden. De directrice-generaal heeft het bezwaar van de beroepsindiener dan ook terecht afgewezen als ontvankelijk, maar ongegrond.
Het beroep is ontvankelijk, maar niet gegrond.