SCHORSING - ORDEMAATREGEL - ARBEID - HOORPLICHT
1. De voorzitter beslist over de schorsing na een voorlopige beoordeling van de zaak op het eerste gezicht, zonder zich uit te spreken over de grond van de zaak. Bij deze beoordeling gaat de voorzitter in het bijzonder na of er een spoedeisend belang is om de verdere tenuitvoerlegging van de beslissing te schorsen.
Op het eerste gezicht berust de beslissing van de klachtencommissie niet op een kennelijk verkeerde beoordeling van de zaak. Een schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de klachtencommissie zou de klager – voor zover aan de andere voorwaarden van de sociale lening is voldaan – uitsluiten van een minimale steun, wat hem aanzienlijk zou benadelen, terwijl de verdere tenuitvoerlegging van de beslissing voor de penitentiaire inrichting geen onevenredig nadeel meebrengt dat een spoedeisend belang bij de schorsing van die tenuitvoerlegging verantwoordt. De gevraagde schorsing wordt bijgevolg afgewezen.
2. Het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht is van toepassing wanneer de directeur overweegt ten aanzien van de gedetineerde een ernstige maatregel te nemen die gegrond is op diens persoonlijke gedrag opdat de gedetineerde, vooraleer de beslissing wordt genomen, wordt gehoord of minstens in de gelegenheid wordt gesteld zijn standpunt uiteen te zetten en dat dit algemeen beginsel van toepassing is wanneer de basiswet hierop geen uitzondering maakt of de toepassing ervan niet nader regelt.
De ontslagbeslissing werd genomen op grond van het persoonlijke gedrag van de klager dat hem als tekortkoming werd aangerekend. De ontslagbeslissing is ook een ernstige maatregel die van aard is om de belangen van de klager op een meer dan geringe wijze aan te tasten. De gedetineerde is immers volledig van de gevangenisdirectie afhankelijk om arbeid te kunnen verrichten. Het verrichten van arbeid biedt aan de gedetineerde een nuttige tijdsbesteding buiten de cel, die ook bijkomend sociaal contact met andere gedetineerden mogelijk maakt. De inkomsten uit een tewerkstelling in de gevangenis zijn voor een gedetineerde van groot belang om aan eigen behoeften tegemoet te kunnen komen of schulden aan een burgerlijke partij af te betalen. Dat de vergoeding voor gevangenisarbeid zeer beperkt is in vergelijking met een inkomen in de vrije samenleving, doet aan het belang ervan geen afbreuk, wel integendeel.
Er waren geen redenen om de hoorplicht niet van toepassing te achten: de directie neemt op grond van een discretionaire bevoegdheid de beslissing tot beëindiging van een tewerkstelling – er is geen sprake van een gebonden bevoegdheid die de directie tot één welbepaalde beslissing zou dwingen op grond van feiten die vaststaan of vatbaar zijn voor directe of eenvoudige constatering – en de beslissing was niet zo dringend dat de klager niet meer kon worden gehoord.
De ontslagbeslissing die werd genomen zonder de klager vooraf te horen, werd dan ook niet regelmatig genomen. De klachtencommissie verklaarde de klacht terecht gegrond en vernietigde terecht de ontslagbeslissing.
De vernietiging van de beslissing die het gevolg is van de schending van de hoorplicht als formeel vereiste, sluit niet de bevoegdheid uit om een nieuwe beslissing nemen, ditmaal met eerbiediging van de hoorplicht.
1. De voorzitter beslist over de schorsing na een voorlopige beoordeling van de zaak op het eerste gezicht, zonder zich uit te spreken over de grond van de zaak. Bij deze beoordeling gaat de voorzitter in het bijzonder na of er een spoedeisend belang is om de verdere tenuitvoerlegging van de beslissing te schorsen.
Op het eerste gezicht berust de beslissing van de klachtencommissie niet op een kennelijk verkeerde beoordeling van de zaak. Een schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de klachtencommissie zou de klager – voor zover aan de andere voorwaarden van de sociale lening is voldaan – uitsluiten van een minimale steun, wat hem aanzienlijk zou benadelen, terwijl de verdere tenuitvoerlegging van de beslissing voor de penitentiaire inrichting geen onevenredig nadeel meebrengt dat een spoedeisend belang bij de schorsing van die tenuitvoerlegging verantwoordt. De gevraagde schorsing wordt bijgevolg afgewezen.
2. Het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht is van toepassing wanneer de directeur overweegt ten aanzien van de gedetineerde een ernstige maatregel te nemen die gegrond is op diens persoonlijke gedrag opdat de gedetineerde, vooraleer de beslissing wordt genomen, wordt gehoord of minstens in de gelegenheid wordt gesteld zijn standpunt uiteen te zetten en dat dit algemeen beginsel van toepassing is wanneer de basiswet hierop geen uitzondering maakt of de toepassing ervan niet nader regelt.
De ontslagbeslissing werd genomen op grond van het persoonlijke gedrag van de klager dat hem als tekortkoming werd aangerekend. De ontslagbeslissing is ook een ernstige maatregel die van aard is om de belangen van de klager op een meer dan geringe wijze aan te tasten. De gedetineerde is immers volledig van de gevangenisdirectie afhankelijk om arbeid te kunnen verrichten. Het verrichten van arbeid biedt aan de gedetineerde een nuttige tijdsbesteding buiten de cel, die ook bijkomend sociaal contact met andere gedetineerden mogelijk maakt. De inkomsten uit een tewerkstelling in de gevangenis zijn voor een gedetineerde van groot belang om aan eigen behoeften tegemoet te kunnen komen of schulden aan een burgerlijke partij af te betalen. Dat de vergoeding voor gevangenisarbeid zeer beperkt is in vergelijking met een inkomen in de vrije samenleving, doet aan het belang ervan geen afbreuk, wel integendeel.
Er waren geen redenen om de hoorplicht niet van toepassing te achten: de directie neemt op grond van een discretionaire bevoegdheid de beslissing tot beëindiging van een tewerkstelling – er is geen sprake van een gebonden bevoegdheid die de directie tot één welbepaalde beslissing zou dwingen op grond van feiten die vaststaan of vatbaar zijn voor directe of eenvoudige constatering – en de beslissing was niet zo dringend dat de klager niet meer kon worden gehoord.
De ontslagbeslissing die werd genomen zonder de klager vooraf te horen, werd dan ook niet regelmatig genomen. De klachtencommissie verklaarde de klacht terecht gegrond en vernietigde terecht de ontslagbeslissing.
De vernietiging van de beslissing die het gevolg is van de schending van de hoorplicht als formeel vereiste, sluit niet de bevoegdheid uit om een nieuwe beslissing nemen, ditmaal met eerbiediging van de hoorplicht.