Ga verder naar de inhoud

BC/25-0325

Ongegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Individueel bijzonder veiligheidsregime
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME - ONAFHANKELIJKHEID/PARTIJDIGHEID - PROPORTIONALITEIT - RECHT OP TEGENSPRAAK - RECHT VAN VERDEDIGING

De beroepscommissie stelt vast dat de beslissing tot verlenging van het IBVR is genomen conform de artikelen 117, §2 en 118, §3/1 van de Basiswet, op basis van een geactualiseerd advies van de veiligheidsdiensten van 15 oktober 2025. Deze informatie is vertrouwelijk, maar de beroepscommissie herhaalt in dat kader dat zij door de systematische inzage in het register conform art. 8 § 1 laatste lid van de Basiswet de rechterlijke controle conform artikel 6 EVRM garandeert en op die manier de rechten van verdediging van de gedetineerde waarborgt.

Wat het eerste onderdeel van het tweede middel betreft, herhaalt de beroepscommissie haar eerdere rechtspraak dat er geen sprake is van een schending van het recht op tegenspraak met betrekking tot de vertrouwelijke informatie (art. 8 Basiswet). Gelet op de vertrouwelijkheid, kon deze informatie in ieder geval niet inhoudelijk gedeeld worden met de gedetineerde. De beroepscommissie herhaalt in dat kader dat zij door de systematische inzage in het register conform art. 8 § 1 laatste lid van de Basiswet de rechterlijke controle conform artikel 6 EVRM garandeert en op die manier de rechten van verdediging van de gedetineerde waarborgt.

Wat het tweede onderdeel van het tweede middel betreft, wenst de beroepscommissie uitdrukkelijk te benadrukken dat zij wel degelijk een effectieve rechterlijke controle uitoefent op de geheime informatie die aan de basis ligt van de bestreden beslissing. In dat kader nemen de leden van de beroepscommissie effectief kennis van de vertrouwelijke informatie, zoals opgenomen in het daartoe voorziene register overeenkomstig artikel 8 van de Basiswet. Deze inzage vormt een belangrijk onderdeel van de beoordeling en laat de beroepscommissie toe om de proportionaliteit van de opgelegde maatregelen concreet te toetsen aan de aangevoerde dreiging. Indien het vereist is, wordt de vertrouwelijke informatie zelfs meerdere keren geraadpleegd door de leden van de beroepscommissie. Het argument dat er geen enkele garantie zou bestaan op effectieve consultatie en verificatie, kan dan ook in geen geval worden bijgetreden.

Wat het derde onderdeel van het tweede middel – de schriftelijke behandeling – betreft, verwijst de beroepscommissie naar haar eerdere rechtspraak waarin zij wijst op het bepaalde in artikel 118 §10 lid 2 juncto artikel 166 §1 van de Basiswet dat de artikelen 154 en 155 van diezelfde wet van overeenkomstige toepassing verklaart inzake de beroepsprocedure tegen een beslissing tot plaatsing in IBVR, ‘met dien verstande dat in deze procedure alle opmerkingen schriftelijk worden geformuleerd’. De beroepsprocedure tegen een beslissing van de directeur-generaal inzake een IBVR betreft dus in beginsel een schriftelijke procedure waarbij geen mondelinge opmerkingen kunnen worden gemaakt.

Wat het eerste onderdeel van het derde middel betreft, stelt de beroepscommissie vast dat het verbod op het gebruik van een laptop door de raadsman van beroepsindiener tijdens de hoorzitting een correcte toepassing vormt van Ministeriële Omzendbrief nr. 1821, gelet op het IBVR waaronder beroepsindiener valt. Wat het tweede onderdeel betreft, merkt de beroepscommissie – net zoals de directrice-generaal – op dat de Basiswet inderdaad niet voorziet dat het verslag van de hoorzitting voorafgaand aan de beslissing moet worden overgemaakt om de beroepsindiener toe te laten opmerkingen te formuleren. Het horen zelf biedt de mogelijkheid om standpunten kenbaar te maken. Beroepsindiener werd op 27 oktober 2025 mondeling gehoord in aanwezigheid van zijn advocaat en kon tijdens die hoorzitting alle opmerkingen en stukken indienen waaronder een conclusie waarin opheffing of versoepeling van het IBVR werd gevraagd. Bovendien zijn de aangebrachte correcties op het verslag niet van dien aard dat zij de beslissing hadden kunnen beïnvloeden. Het verslag werd opgesteld en ondertekend door beëdigde ambtenaren.

Wat het eerste onderdeel van het vierde middel betreft, treedt de beroepscommissie de directrice-generaal bij in de stelling dat het IBVR een preventieve veiligheidsmaatregel is en geen strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM. Wat het tweede onderdeel betreft, stelt de beroepscommissie vast dat de klacht over de doorlooptijd van de beroepsprocedure geen betrekking heeft op de bestreden beslissing zelf, maar op de werking van de beroepscommissie. Wat het derde onderdeel van het vierde middel betreft – aangaande de proportionaliteit van het IBVR – wijst de beroepsindiener op de lange duur van het regime (sinds 16 februari 2022) en de versoepelingen die sinds juni 2025 abrupt een einde namen. De beroepscommissie stelt vast dat de directrice-generaal zich baseerde op actuele informatie van 15 oktober 2025, waaruit blijkt dat het ontvluchtingsgevaar en risico op criminele activiteiten nog steeds ernstig en actueel zijn. Wat het vierde onderdeel van het vierde middel betreft, stelt de beroepsindiener dat het psycho-medisch verslag louter een formaliteit is en dat de arts-psychiater enkel nagaat of er contra-indicaties bestaan. Uit het verslag blijkt dat er geen contra-indicaties zijn vastgesteld die het IBVR of de maatregelen onverenigbaar maken met de gezondheidstoestand van beroepsindiener. Wat het vijfde onderdeel van het vierde middel betreft, voert de beroepsindiener aan dat de beslissing tot verlenging een schending inhoudt van het onpartijdigheidsbeginsel, gelet op het verleden van de directrice-generaal als kabinetschef van de minister van Justitie. Volgens hem maakt dit dat beslissingen bij voorbaat vaststaan. De beroepscommissie volgt dit niet.

Het vijfde middel betreft de vermeende schending van artikel 3 EVRM wegens onmenselijke behandeling. Beroepsindiener wijst op de uitzonderlijke duur van het IBVR, het gebrek aan sociaal contact, beweging en deelname aan gemeenschappelijke activiteiten en stelt dat de verlenging onvoldoende rekening houdt met zijn fysieke en mentale toestand. De beroepscommissie volgt dit niet. Zoals eerder geoordeeld, is de minimumdrempel om van een schending van artikel 3 EVRM te spreken niet gehaald.

Voor het zesde middel heeft de beroepscommissie de verschillende verzoeken van beroepsindiener tot versoepeling van het huidige regime onderzocht. Samengevat is de beroepscommissie van oordeel dat de directrice-generaal de huidige maatregelen duidelijk heeft gemotiveerd en dat de beperkingen in het regime noodzakelijk blijven gelet op de vastgestelde veiligheidsrisico’s, het ontvluchtingsgevaar en het voortzetten van strafbare activiteiten, zoals ook blijkt uit de vertrouwelijke informatie. De verzoeken van beroepsindiener tot verdere versoepeling kunnen daarom niet worden ingewilligd.

Om deze redenen verklaart de beroepscommissie het beroep tegen de beslissing van de directrice-generaal van 30 oktober 2025 ontvankelijk, maar niet gegrond.

!!Tegen deze beslissing werd een cassatieberoep ingediend bij de Raad van State!!