Ga verder naar de inhoud

BC/26-0047

Ongegrond Gegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Tucht
TUCHT

Klager heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij zijn klacht over een tuchtbeslissing ontvankelijk, maar ongegrond werd verklaard. Klager werd gesanctioneerd voor twee zaken: het beledigen van een beambte enerzijds en een vechtpartij met een medegedetineerde op de wandeling anderzijds. De beroepscommissie stelt vast dat in de motivering van de tuchtbeslissing wordt verwezen naar artikel 614 Wetboek van Strafvordering. Zij wijst erop dat deze verwijzing zinledig is. Uit deze verwijzing kan niet worden afgeleid waarom klager schuldig was aan bepaalde feiten, noch biedt het een rechtsgeldige motivering voor de keuze van de directie voor een ATV-sanctie. De beroepscommissie stelt vervolgens vast dat in de tuchtbeslissing enkel maar een motivering wordt gegeven voor twee van de vier aangekruiste tuchtinbreuken. In zijn beroepschrift geeft klager de feiten van de beledigingen ten aanzien van de beambte toe. Dat de directie klager daarnaast schuldig heeft verklaard aan de inbreuk van de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee wegens de vechtpartij op de wandeling, valt binnen haar appreciatiemarge. Over de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee enerzijds en de opzettelijke aantasting van de orde anderzijds wordt echter niets vermeld in de motivering van de tuchtbeslissing. Deze inbreuken staan wel aangekruist in de tuchtbeslissing. Specifiek voor wat betreft deze twee inbreuken was de initiƫle klacht ontvankelijk en gegrond. Het is immers onduidelijk voor welke feiten en om welke redenen de directie deze twee tuchtinbreuken heeft aangekruist in de tuchtbeslissing en dus bewezen heeft verklaard. Voor de twee overige tuchtinbreuken was de initiƫle klacht ontvankelijk, maar niet gegrond. Het beroep is ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.