Ga verder naar de inhoud

BC/26-0058

Ongegrond Onontvankelijk Beroepscommissie Beroepscommissie BC - Beroep tegen aspect KC/ Appel contre aspect CP
INDIVIDUEEL DETENTIEPLAN – TEGEMOETKOMING

Zowel het inrichtingshoofd (BC/26-0040) als klager (BC/26-0058) hebben beroep ingediend tegen dezelfde beslissing van de klachtencommissie.

Het inrichtingshoofd heeft beroep aangetekend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij klagers klacht over zijn individueel detentieplan ontvankelijk en gegrond werd verklaard. Klager had reeds in een vorige gevangenis een individueel detentieplan, maar naar aanleiding van een overplaatsing duurde het maanden eer dit detentieplan werd toegepast in de gevangenis waarnaar hij was overgeplaatst. Zowel de directie als de klachtencommissie zijn foutief uitgegaan van de hypothese dat er een detentieplan moest worden ‘opgestart’ of ‘opgesteld’. De beroepscommissie merkt op dat de directie op de zitting van de klachtencommissie heeft gezegd dat klager meermaals werd opgeroepen om het in Dendermonde opgestelde detentieplan ‘te overlopen, dit teneinde te bekijken wat klager in Beveren anders zou willen zien’. Toch heeft het enkele maanden geduurd vooraleer er een detentieplan was voor klager; dit is uiteindelijk opgemaakt viereneenhalve maand na zijn verzoek aan de directie en twee weken nadat de klachtencommissie een zitting had georganiseerd over de door klager ingediende klacht in verband met zijn detentieplan. De beroepscommissie vindt dit een onredelijk lange termijn voor het aanpassen van het bestaande detentieplan overeenkomstig artikel 39 Basiswet. Het beroep is ontvankelijk, maar niet gegrond.

Klager tekent op zijn beurt beroep aan tegen de beslissing van de klachtencommissie omdat hij niet tevreden is met de tegemoetkoming die hij heeft gekregen. De beroepscommissie brengt in herinnering dat een klachtencommissie vrij oordeelt over het al dan niet toekennen van een tegemoetkoming. De Basiswet stelt hieraan geen eisen noch geeft zij richtlijnen voor het bepalen van (de aard van) de tegemoetkoming, behoudens het verbod op financiële vergoedingen. De beroepscommissie bevestigt dat een tegemoetkoming zoals voorzien door de Basiswet inderdaad symbolisch van aard is en dus niet noodzakelijk een integrale tegemoetkoming – laat staan een volledige schadeloosstelling – impliceert. Indien klager een volledige schadeloosstelling zou wensen, kan hij zich hiervoor wenden tot de burgerlijke rechter. De klachtencommissie blijkt de door klager gevraagde tegemoetkoming onder de vorm van een belkrediet te hebben toegekend. Volgens klager heeft hij echter te weinig belkrediet ontvangen. De beroepscommissie acht de door de klachtencommissie toegekende tegemoetkoming evenwel een redelijke compensatie. Zij ziet geen redenen om aan klager een hogere tegemoetkoming toe te kennen dan deze die door de klachtencommissie werd toegekend. Het beroep is op dit vlak ontvankelijk, maar niet gegrond.