CELTOEWIJZING - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL MEDEGEDETINEERDE - OVERBEVOLKING
In de cel van de klager werd een medegedetineerde ondergebracht die onder 'bijzondere bewaking' stond. Dit had tot gevolg dat de cel waarin de klager verbleef, om de vijftien minuten werd gecontroleerd. ’s Nachts werd om de vijftien minuten het licht in de cel aangestoken voor een visuele controle op de medegedetineerde. Dit verstoorde de nachtrust van de klager.
De vaststelling dat de wetgever het noodzakelijk achtte dat een observatiemaatregel slechts toegestaan is wanneer daartoe bepaalde voorwaarden vervuld zijn (artikel 112, § 1, 3° basiswet), illustreert dat het gaat over een ingrijpende maatregel.
Een gedetineerde ten aanzien van wie geen observatiemaatregel werd genomen, moet niet de gevolgen ondergaan van een observatiemaatregel ten aanzien van een andere gedetineerde. In het bijzonder de verstoring van de nachtrust als gevolg van de observatie ’s nachts is een zwaarwegend gevolg dat een gedetineerde niet zonder rechtsgrond moet ondergaan.
De beroepscommissie begrijpt dat de nijpende overbevolking in de directie feitelijk geen andere keuze liet. Dit verhindert niet dat vanuit objectief oogpunt de beslissing om een medegedetineerde die aan observatie werd onderworpen, te plaatsen op cel bij de klager die niet aan observatie was onderworpen, onredelijk en onbillijk was. De beoordeling van de redelijkheid en billijkheid van een beslissing hangt immers niet af van de vraag of de directie subjectief een verwijt trof bij het nemen van de beslissing – wat niet het geval is –, maar van de vraag of de beslissing objectief gezien, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of onbillijk moet worden geacht. De overbevolking is als zodanig geen gegeven dat als rechtmatig belang in de weegschaal kan worden gelegd tegenover het belang van de gedetineerde op behoorlijke detentieomstandigheden om afbreuk te doen aan die behoorlijke detentieomstandigheden. De overbevolking kan niet worden ingeroepen als objectieve rechtvaardiging om een gedetineerde situaties te laten ondergaan die strijdig zijn met behoorlijke detentieomstandigheden en die de gedetineerde niet had moeten ondergaan wanneer de capaciteit van de gevangenis toereikend was.
In de cel van de klager werd een medegedetineerde ondergebracht die onder 'bijzondere bewaking' stond. Dit had tot gevolg dat de cel waarin de klager verbleef, om de vijftien minuten werd gecontroleerd. ’s Nachts werd om de vijftien minuten het licht in de cel aangestoken voor een visuele controle op de medegedetineerde. Dit verstoorde de nachtrust van de klager.
De vaststelling dat de wetgever het noodzakelijk achtte dat een observatiemaatregel slechts toegestaan is wanneer daartoe bepaalde voorwaarden vervuld zijn (artikel 112, § 1, 3° basiswet), illustreert dat het gaat over een ingrijpende maatregel.
Een gedetineerde ten aanzien van wie geen observatiemaatregel werd genomen, moet niet de gevolgen ondergaan van een observatiemaatregel ten aanzien van een andere gedetineerde. In het bijzonder de verstoring van de nachtrust als gevolg van de observatie ’s nachts is een zwaarwegend gevolg dat een gedetineerde niet zonder rechtsgrond moet ondergaan.
De beroepscommissie begrijpt dat de nijpende overbevolking in de directie feitelijk geen andere keuze liet. Dit verhindert niet dat vanuit objectief oogpunt de beslissing om een medegedetineerde die aan observatie werd onderworpen, te plaatsen op cel bij de klager die niet aan observatie was onderworpen, onredelijk en onbillijk was. De beoordeling van de redelijkheid en billijkheid van een beslissing hangt immers niet af van de vraag of de directie subjectief een verwijt trof bij het nemen van de beslissing – wat niet het geval is –, maar van de vraag of de beslissing objectief gezien, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of onbillijk moet worden geacht. De overbevolking is als zodanig geen gegeven dat als rechtmatig belang in de weegschaal kan worden gelegd tegenover het belang van de gedetineerde op behoorlijke detentieomstandigheden om afbreuk te doen aan die behoorlijke detentieomstandigheden. De overbevolking kan niet worden ingeroepen als objectieve rechtvaardiging om een gedetineerde situaties te laten ondergaan die strijdig zijn met behoorlijke detentieomstandigheden en die de gedetineerde niet had moeten ondergaan wanneer de capaciteit van de gevangenis toereikend was.