Ga verder naar de inhoud

BC/26-0124

Ongegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Individueel bijzonder veiligheidsregime
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME - HERNIEUWING - VERTROUWELIJKE INFORMATIE- HOGER BELANG VAN HET KIND

Beroepsindiener ontwikkelt bij monde van zijn raadsman zeven grieven tegen de bestreden beslissing, die allen door de beroepscommissie werden verworpen.

Wat betreft de schending van artikel 118, § 5 van de basiswet, wijst de beroepscommissie er op dat eventuele tijdelijke tekortkomingen aan deze bepaling, als zodanig geen afbreuk doen aan de redelijkheid van de beperkingen die aan beroepsindiener worden opgelegd. De rechtmatigheid van de hier bestreden hernieuwingsbeslissing is dan ook op geen enkele wijze aangetast door het enkele feit dat beroepsindiener in de week van 2 maart 2026 enkel door de directeur en niet door de arts werd gezien.

De grief die beroepsindiener ontwikkelt aangaande een schending van het artikel 3 EVRM is niet ernstig: beroepsindiener hangt een verkeerd beeld op van de striktheid van de maatregelen die betrekking hebben op de contacten met de buitenwereld.

Wat betreft de opgeworpen schending van het artikel 3 EVRM in het licht van het voorliggende psycho-medisch verslag, verwijst de beroepscommissie naar haar vorige uitspraken omtrent beroepsindiener . Ook thans kan worden vastgesteld dat er in de huidige stand geen sprake is van een schending van het artikel 3 EVRM, rekening houdend met de toegekende versoepeling inzake telefonisch contact met naaste familieleden.

Ook de schending van het artikel 8 EVRM kan niet worden aangenomen, mede omdat beroepsindiener opnieuw vertrekt van de verkeerde veronderstelling dat de beperkingen inzake telefonie nog steeds onverkort van kracht zijn en omdat de schending van dit artikel op geen enkele andere manier aannemelijk wordt gemaakt.

Tot slot voert beroepsindiener nog aan dat de bestreden beslissing behept is met een schending van de formele motiveringsplicht, omdat de directrice-generaal het geactualiseerd advies d.d. 10 maart 2026 niet meedeelt, noch de verontrustende elementen die daaruit voortvloeien. Beroepsindiener gaat echter zonder meer voorbij aan de uitzondering op de formele motiveringsplicht uit artikel 8 van de basiswet.

De beroepscommissie betwijfelt tot slot niet dat beroepsindiener in het bijzonder lijdensdruk ervaart wat betreft de omstandigheden van het bezoek met zijn minderjarige broers en zussen, die vooralsnog onder dezelfde strikte en dwingende voorwaarden dienen door te gaan als de andere bezoekers uit artikel 59 §1 van de basiswet.

In haar vorige uitspraak herinnerde de beroepscommissie beroepsindiener er reeds aan dat het hem vrijstond om inzake een meer kindvriendelijk verloop van de familiale contacten de lokale directie aan te spreken, opdat eraan kan worden tegemoetgekomen binnen de door de bestreden beslissing bepaalde begrenzingen. Beroepsindiener werkt thans in zijn beroepschrift geenszins uit welke stappen hij in die zin ondernam. Niettemin herinnert de beroepscommissie de penitentaire administratie aan het hoger belang van het kind als eerste overweging overeenkomstig het artikel 3 van het Internationiaal verdrag voor de Rechten van het Kind.