Ga verder naar de inhoud

BC/26-0150

Ongegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Tucht
TUCHT

Het inrichtingshoofd dient beroep in tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij een klacht tegen een tuchtbeslissing ontvankelijk en gegrond werd verklaard. Klager had een discussie met een medegedetineerde op de wandeling. Zij namen elkaar vast, klager kreeg daarop eerst een kopstoot van de medegedetineerde en daarop sloeg en schopte hij terug. De klachtencommissie oordeelde dat er sprake was van uitlokking, maar dat de reactie van klager zelfverdediging oversteeg.

De beroepscommissie wijst er op haar beurt op dat het penitentiair tuchtstelsel uit de Basiswet veel verwijzingen bevat naar concepten uit het strafrecht, zoals o.a. ‘opzet’ (art. 129, 1°, 2°, 3° en 5°), ‘poging’ en ‘deelneming’ (art. 131), ‘verzachtende omstandigheden’ (art. 143, § 1 ), enz. In de penitentiaire praktijk, zo ook in dit dossier, zijn nog andere concepten zoals ‘wettige verdediging’, ‘noodweerexces’ of ‘uitlokking’ relevant. De Basiswet bevat geen aanknopingspunten noch richtlijnen over de mate waarin de strafrechtelijke inkleuring van zulke concepten al dan niet doorwerkt in het penitentiair tuchtrecht. Een identieke toepassing van strafrechtelijke concepten in de penitentiair-tuchtrechtelijke sfeer is niet mogelijk. Het penitentiair tuchtrecht valt immers niet gelijk te schakelen met het gemeen strafrecht. De directeur in zijn hoedanigheid als tuchtoverheid is geen strafrechter; hetzelfde geldt voor de beklaginstanties als administratieve detentierechters. De beroepscommissie acht het echter evenmin aangewezen dat de strafrechtelijke draagwijdte van de concepten helemaal niet zou gelden in het penitentiair tuchtrecht. Het valt immers moeilijk in te zien hoe deze gelijknamige concepten een volledig autonome invulling in het penitentiair tuchtrecht zouden moeten krijgen (zeker voor deze waarnaar de Basiswet nadrukkelijk verwijst), zonder daarbij echter gebruik te maken van of minstens inspiratie te putten uit de strafrechtelijke invulling ervan. De beroepscommissie is daarom van oordeel dat de strafrechtelijke invulling van zulke concepten richtinggevend is, maar dat hierbij steeds rekening moet worden gehouden met de specifieke omstandigheden die eigen zijn aan de detentiecontext.

De beroepscommissie overloopt verschillende concepten en komt daarna op basis van het dossier tot de conclusie dat de initiële klacht ontvankelijk en gegrond was, maar dan om een andere reden dan deze die de klachtencommissie heeft aangenomen. Veeleer dan een te zware sanctie voor een uitgelokte handeling, blijkt voor de beroepscommissie uit het dossier dat de directie de begrippen noodweer en noodweerexces niet correct, minstens onvoldoende, heeft toegepast. Rekening houdend met alles wat werd uiteengezet, blijkt klager zich te hebben bevonden in een noodweersituatie, doch zijn reactie was excessief. Er was dan ook sprake van noodweerexces. De directie had dit overeenkomstig artikel 143, § 1 Basiswet als verzachtende omstandigheid in rekening moeten nemen bij de keuze van de aard en omvang van de tuchtsanctie. Uit de tuchtbeslissing komt in ieder geval niet duidelijk naar voren hoe en in welke mate hiermee bij de keuze van de aard en omvang van de sanctie rekening werd gehouden. Het beroep is ontvankelijk, maar niet gegrond.