BC/26-0174
Ongegrond
Beroepscommissie
Beroepscommissie
Individueel bijzonder veiligheidsregime
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME
De beroepsindiener heeft beroep ingediend tegen de (negende) beslissing van de directrice-generaal tot hernieuwing van zijn individueel bijzonder veiligheidsregime. De beroepscommissie stelt vast dat de beroepsindiener aan de ene kant rustig gedrag stelt in de gevangenis en de directrice-generaal geleidelijk aan ook versoepelingen aanbrengt aan zijn regime. Aan de andere kant blijkt volgens de directrice-generaal op basis van een herbeoordeling van de situatie wel dat er een voortdurende bedreiging voor de veiligheid blijft uitgaan van de beroepsindiener. Zo kan in het bijzonder worden verwezen op het feit dat er nog geen aanwijzingen zijn dat de beroepsindiener afstand heeft genomen van zijn radicaal gedachtegoed. De beroepscommissie merkt in dit kader wel nog op dat er, behalve de algemene vermelding dat er een ‘aanhoudend risico is van het radicaliseren en rekruteren van medegedetineerden’, geen enkele specifieke verwijzing wordt gegeven naar enige concrete omstandigheid of gedraging van de beroepsindiener tijdens zijn opsluiting sinds eind 2024 waaruit dat risico zou blijken.
De beroepscommissie acht de redenen die in de bestreden beslissing worden gegeven voor het hernieuwen van het individueel bijzonder veiligheidsregime op heden nog voldoende. Zij wijst er wel op dat de directrice-generaal blijvend moet onderzoeken of en op welke vlakken – indien de concrete omstandigheden en de gedragingen van de beroepsindiener zich hiertegen niet verzetten – er verdere versoepelingen aan zijn regime kunnen worden doorgevoerd die hem toelaten om, in voorkomend geval onder begeleiding en/of met uitsluiting van contacten met bepaalde ‘risicogedetineerden’, contacten te onderhouden met medegedetineerden. De beroepscommissie wijst er bovendien nog op dat, naarmate het verstrijken van de tijd, de opgave van de redenen waarom het regime moet worden verdergezet, steeds gedetailleerder en overtuigender zal moeten zijn. De ernst van de feiten waarvoor de beroepsindiener in voorhechtenis zit en zijn daaruit voortvloeiende verregaande normloosheid volstaan op heden maar zullen mogelijk, met het verstrijken van de tijd, niet volstaan als enige rechtvaardiging voor een langdurige voortzetting van het individueel bijzonder veiligheidsregime.
Het beroep is ontvankelijk, maar niet gegrond.
De beroepsindiener heeft beroep ingediend tegen de (negende) beslissing van de directrice-generaal tot hernieuwing van zijn individueel bijzonder veiligheidsregime. De beroepscommissie stelt vast dat de beroepsindiener aan de ene kant rustig gedrag stelt in de gevangenis en de directrice-generaal geleidelijk aan ook versoepelingen aanbrengt aan zijn regime. Aan de andere kant blijkt volgens de directrice-generaal op basis van een herbeoordeling van de situatie wel dat er een voortdurende bedreiging voor de veiligheid blijft uitgaan van de beroepsindiener. Zo kan in het bijzonder worden verwezen op het feit dat er nog geen aanwijzingen zijn dat de beroepsindiener afstand heeft genomen van zijn radicaal gedachtegoed. De beroepscommissie merkt in dit kader wel nog op dat er, behalve de algemene vermelding dat er een ‘aanhoudend risico is van het radicaliseren en rekruteren van medegedetineerden’, geen enkele specifieke verwijzing wordt gegeven naar enige concrete omstandigheid of gedraging van de beroepsindiener tijdens zijn opsluiting sinds eind 2024 waaruit dat risico zou blijken.
De beroepscommissie acht de redenen die in de bestreden beslissing worden gegeven voor het hernieuwen van het individueel bijzonder veiligheidsregime op heden nog voldoende. Zij wijst er wel op dat de directrice-generaal blijvend moet onderzoeken of en op welke vlakken – indien de concrete omstandigheden en de gedragingen van de beroepsindiener zich hiertegen niet verzetten – er verdere versoepelingen aan zijn regime kunnen worden doorgevoerd die hem toelaten om, in voorkomend geval onder begeleiding en/of met uitsluiting van contacten met bepaalde ‘risicogedetineerden’, contacten te onderhouden met medegedetineerden. De beroepscommissie wijst er bovendien nog op dat, naarmate het verstrijken van de tijd, de opgave van de redenen waarom het regime moet worden verdergezet, steeds gedetailleerder en overtuigender zal moeten zijn. De ernst van de feiten waarvoor de beroepsindiener in voorhechtenis zit en zijn daaruit voortvloeiende verregaande normloosheid volstaan op heden maar zullen mogelijk, met het verstrijken van de tijd, niet volstaan als enige rechtvaardiging voor een langdurige voortzetting van het individueel bijzonder veiligheidsregime.
Het beroep is ontvankelijk, maar niet gegrond.