Ga verder naar de inhoud

BC/26-0258

Ongegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Individueel bijzonder veiligheidsregime
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME - HERNIEUWING - TERRORISME

In het voorstel tot hernieuwing wordt enerzijds opnieuw door de lokale directie vastgesteld dat zijn gedrag gestabiliseerd blijft, maar dat dat de observatieperiode nog steeds te kort is om te spreken van een structurele gedragswijziging, waarbij men thans in het bijzonder de impact van het recente vonnis van 30 juni 2026 wenst af te wachten.

Vervolgens valt het de beroepscommissie op dat de directeur tijdens de hoorzitting suggereert dat het voorstel in feite niet van de directie zelf uitgaat. Hoewel niet zwart op wit uit het dossier blijkt dat het in feite de directrice-generaal is die aanstuurde op een nieuw voorstel tot hernieuwing, herinnert de beroepscommissie eraan dat de directrice-generaal enkel zelf een voorstel tot plaatsing of hernieuwing kan indienen voor welbepaalde categorieën van gedetineerden.
Voor zij die zoals beroepsindiener veroordeeld zijn voor feiten in de context van terrorisme, is het vooralsnog de lokale directie die op eigen initiatief aan het roer kan zitten om een IBVR op te starten of te verlengen.
Het toepassingsgebied van de specifieke IBVR-procedure op grond van artikel 118 §3/1 van de basiswet is immers beperkt tot risicoprofielen in de georganiseerde drugshandel en vooralsnog niet uitgebreid naar risicoprofielen gelieerd aan terroristische groepen.

De beroepscommissie stelt tot slot vast dat de directrice-generaal niet uitdrukkelijk inging op het argument inzake de jonge leeftijd van beroepsindiener, zoals zowel tijdens de hoorzitting aangehaald door zijn raadsman, als door hemzelf in zijn beroepschrift. Hoewel zijn jonge leeftijd hem meer vatbaar maakt voor beïnvloeding van buitenaf, dient deze ook in rekening te worden genomen in het licht van de duur en de zwaarte van het regime en met het oog op gepaste kansen om zich te bewijzen.

Gelet op de recente veroordeling en de recent opgestarte geïntensifieerde begeleiding, is de beroepscommissie in de huidige stand evenwel van oordeel dat de directrice-generaal op redelijke en billijke wijze kon beslissen tot hernieuwing van het IBVR, maar onderstreept zij dat de penitentiaire administratie rekening dient te houden met de bovenstaande overwegingen in het kader van haar nakende beroordeling op grond van artikel 118 §9 van de basiswet (zodra de veroordeling definitief is).