CP36/23-0254
Ongegrond
CP - Haren
Klachtencommissie
Bijzondere veiligheidsmaatregel
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - TAAL - RESTRICTIEVE MAATREGELEN
- Wat de taalproblematiek betreft
De directie was van oordeel dat klager het Engels voldoende kende om de hoorzittingen in het Engels te laten verlopen. Hij werd ook (mondeling) in het Engels in kennis gesteld van de redenen van de BVM.
Tevens heeft de klager tijdens eerdere verhoren in het Engels geen bezwaar gemaakt tegen de afwezigheid van een tolk. In zijn verzoek tot nietigverklaring van de IBVR werd het argument ook niet aangevoerd.
De basiswet en de rechten van de verdediging van de klager zijn dan ook niet geschonden door de afwezigheid van zijn raadsman en een tolk tijdens het verhoor.
- Wat de opsomming van de restrictieve maatregelen betreft
De klachtencommissie meent dat de directie in dit geval haar appreciatiebevoegdheid niet overschrijdt wanneer zij concludeert dat het gedrag van klager nog steeds een bedreiging kan vormen voor de orde en veiligheid en wanneer zij de maatregel oplegt.
Ook staat artikel 113 toe dat er beperkingen, die verschillend zijn van diegenen opgesomd in artikel 112, kunnen opgelegd worden op de contacten met de buitenwereld.
De Klachtencommissie is van oordeel dat gelet op de bovenstaande motivering van de directie de maatregelen niet onredelijk, noch onevenredig zijn. Om deze redenen is de klacht niet gegrond. De maatregel blijft bestaan.
C. Wat de vermeende vooringenomenheid betreft
In het verhoorverslag leest men: "Directeur: Dit is op dit moment een verlof, dus ik zal waarschijnlijk nog een verlenging toestaan na deze en daarna voor een IBVR." Deze uitspraak getuigt van partijdigheid. ...". Volgens de klager geeft dit blijk van vooringenomenheid.
De klachtencommissie gaat akkoord met de directie: het gaat niet om een beslissing en de gevolgtrekkingen die de advocaat hieruit maakt zijn een ongefundeerde interpretatie. De klachtencommissie is van oordeel dat gelet op de bovenstaande motivering van de directie de maatregelen niet onredelijk, noch onevenredig zijn.
Om bovenvermelde redenen is de klacht niet gegrond. De maatregel blijft bestaan.
- Wat de taalproblematiek betreft
De directie was van oordeel dat klager het Engels voldoende kende om de hoorzittingen in het Engels te laten verlopen. Hij werd ook (mondeling) in het Engels in kennis gesteld van de redenen van de BVM.
Tevens heeft de klager tijdens eerdere verhoren in het Engels geen bezwaar gemaakt tegen de afwezigheid van een tolk. In zijn verzoek tot nietigverklaring van de IBVR werd het argument ook niet aangevoerd.
De basiswet en de rechten van de verdediging van de klager zijn dan ook niet geschonden door de afwezigheid van zijn raadsman en een tolk tijdens het verhoor.
- Wat de opsomming van de restrictieve maatregelen betreft
De klachtencommissie meent dat de directie in dit geval haar appreciatiebevoegdheid niet overschrijdt wanneer zij concludeert dat het gedrag van klager nog steeds een bedreiging kan vormen voor de orde en veiligheid en wanneer zij de maatregel oplegt.
Ook staat artikel 113 toe dat er beperkingen, die verschillend zijn van diegenen opgesomd in artikel 112, kunnen opgelegd worden op de contacten met de buitenwereld.
De Klachtencommissie is van oordeel dat gelet op de bovenstaande motivering van de directie de maatregelen niet onredelijk, noch onevenredig zijn. Om deze redenen is de klacht niet gegrond. De maatregel blijft bestaan.
C. Wat de vermeende vooringenomenheid betreft
In het verhoorverslag leest men: "Directeur: Dit is op dit moment een verlof, dus ik zal waarschijnlijk nog een verlenging toestaan na deze en daarna voor een IBVR." Deze uitspraak getuigt van partijdigheid. ...". Volgens de klager geeft dit blijk van vooringenomenheid.
De klachtencommissie gaat akkoord met de directie: het gaat niet om een beslissing en de gevolgtrekkingen die de advocaat hieruit maakt zijn een ongefundeerde interpretatie. De klachtencommissie is van oordeel dat gelet op de bovenstaande motivering van de directie de maatregelen niet onredelijk, noch onevenredig zijn.
Om bovenvermelde redenen is de klacht niet gegrond. De maatregel blijft bestaan.
Er werd een beroepsdossier met referentie BC/23-0337 opgestart