TUCHT - VERMOEDEN VAN ONSCHULD - MEDEPLICHTIGHEID - VERBODEN VOORWERPEN
In principe kan een gedetineerde niet medeplichtig worden bevonden aan een tuchtinbreuk van bezit van een gsm op cel op basis van onthouding van enige handeling en met name op basis van het niet melden aan het personeel van de aanwezigheid van een gsm. Zelfs indien een gedetineerde op de hoogte is van de gsm in de cel waar hij met zijn celgenoot verblijft, kan er van een gedetineerde niet worden verwacht dat hij dat aan het bewakingspersoneel of andere bevoegde personen gaat melden. De directeur is haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid niet te buiten gegaan wanneer zij, in dit specifieke geval, gezien klager zelf zegt dat hij op de hoogte was en mede gelet op de omstandigheid dat klager zijn celgenoot tevens zijn broer is, heeft geoordeeld dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan de voormelde tuchtinbreuk als medeplichtige. Het komt ongeloofwaardig over dat klager en zijn celgenoot (die tevens zijn broer is) niet overlegd zouden hebben omtrent het verkrijgen en verbergen van de gsm. Het komt ook ongeloofwaardig over dat klager deze gsm van zijn broer op geen enkel ogenblik zou gebruikt hebben voor eigen doeleinden. Deze stelling werd overigens niet ontkend door klager ter zitting. De directeur kon in deze tot de beslissing komen dat klager medeplichtig was aan de tuchtinbreuk. De klacht is ongegrond.
In principe kan een gedetineerde niet medeplichtig worden bevonden aan een tuchtinbreuk van bezit van een gsm op cel op basis van onthouding van enige handeling en met name op basis van het niet melden aan het personeel van de aanwezigheid van een gsm. Zelfs indien een gedetineerde op de hoogte is van de gsm in de cel waar hij met zijn celgenoot verblijft, kan er van een gedetineerde niet worden verwacht dat hij dat aan het bewakingspersoneel of andere bevoegde personen gaat melden. De directeur is haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid niet te buiten gegaan wanneer zij, in dit specifieke geval, gezien klager zelf zegt dat hij op de hoogte was en mede gelet op de omstandigheid dat klager zijn celgenoot tevens zijn broer is, heeft geoordeeld dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan de voormelde tuchtinbreuk als medeplichtige. Het komt ongeloofwaardig over dat klager en zijn celgenoot (die tevens zijn broer is) niet overlegd zouden hebben omtrent het verkrijgen en verbergen van de gsm. Het komt ook ongeloofwaardig over dat klager deze gsm van zijn broer op geen enkel ogenblik zou gebruikt hebben voor eigen doeleinden. Deze stelling werd overigens niet ontkend door klager ter zitting. De directeur kon in deze tot de beslissing komen dat klager medeplichtig was aan de tuchtinbreuk. De klacht is ongegrond.