Ga verder naar de inhoud

KC02/23-0021

Ongegrond KC - Antwerpen Klachtencommissie Tucht
TUCHT - BEWIJS - GETUIGE - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID

Klager is het niet eens met de tuchtbeslissing omdat hij enerzijds de vaststellingen in één van de rapporten aan de directeur betwist en anderzijds omdat de directeur heeft geweigerd om op zijn vraag, een getuige te horen. De directie beoordeelt vrij of bijkomend onderzoek en meer bepaald het horen van getuigen, nuttig of nodig is voor het bewezen verklaren van de feiten. Wanneer zij echter meent dat de weergave van de feiten in het RAD voldoende duidelijk is, zal zij dit bijkomend onderzoek niet nodig achten en is het dan ook niet verplicht om getuigen te horen. Op basis van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting, stelt de klachtencommissie vast dat de directeur aan klager heeft toegelicht waarom zij het niet nodig acht om naast de duidelijke vaststellingen in de rapporten nog een getuige te horen.

De klachtencommissie heeft kennis genomen van de vier rapporten, telkens ondertekend door de opsteller en getuigen. De klachtencommissie meent dat deze rapporten uitgebreide en gedetailleerde vaststellingen bevatten. De klachtencommissie is verder van oordeel dat klager zowel op de tuchtrechtelijke hoorzitting als in zijn klacht geen concrete, noch overtuigende tegenindicaties heeft aangebracht waarom de opstellers zouden liegen en de vaststellingen niet correct zouden zijn. Bovendien heeft klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting verklaard dat wanneer hij “gefrustreerd is dingen zegt die hij beter niet zegt. Maar hij weet nog altijd wat hij zegt.” In die zin ontkent hij zijn wangedrag niet. De klachtencommissie  ziet dan ook geen reden  waarom  de directie zich bij het nemen van de bestreden beslissing niet  enkel had  mogen  steunen op de rapporten.

Klager is geïnterneerd. Op basis van de Basiswet is de bijstand van een advocaat dan verplicht in het kader van een tuchtprocedure. De voorkeursadvocaat van klager was aanwezig op de tuchthoorzitting. Het interneringsstatuut van klager brengt een tweede procedurele vereiste met zich mee, namelijk de toerekenbaarheid van de tuchtinbreuk. De klachtencommissie stelt vast dat uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt dat de directeur het onderzoek naar de toerekenbaarheid heeft gevoerd.

Gelet op het onderzoek van de toerekenbaarheid en de vaststellingen in de rapporten die door verschillende getuigen onderschreven werden, is de klachtencommissie van oordeel dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuken kon bewezen verklaren en deze aan klager kon toerekenen. Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie kan maximaal dertig dagen ATV opgelegd worden zodat de tuchtsanctie in casu wettig is. Bovendien is de tuchtsanctie niet onredelijk of onbillijk gelet op de hoeveelheid van tuchtrapporten waaruit het aanhoudend wangedrag van klager blijkt.

Om deze redenen is de klacht ongegrond.