Ga verder naar de inhoud

KC02/24-0181

Gegrond KC - Antwerpen Klachtencommissie Tucht Fouille op het lichaam
TUCHT - CELCONTROLE - VERBODEN SUBSTANTIES - HUISHOUDELIJK REGLEMENT - FOUILLE OP HET LICHAAM - VERBODEN VOORWERPEN - MOTIVERING

De klacht betreft de beslissing tot fouillering op het lichaam en de tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis.

Wat betreft de fouille op het lichaam:
Deze motivering bevat een ernstige aanwijzing dat er zich een gsm in de cel van klager bevindt. De beslissing legt echter niet uit waarom er aanwijzingen zijn dat deze gsm op het lichaam van klager verstopt zou zijn. De beslissing tot fouillering op het lichaam is dus strijdig met artikel 108, §2 van de Basiswet.

De klachtencommissie meent verder dat een dergelijke beslissing ook onredelijk is. De directeur stelde ter zitting immers dat de fouillering op het lichaam in een dergelijk geval voor of tegelijk plaatsvindt met de celcontrole. De klachtencommissie meent echter, in lijn met de rechtspraak van
de Beroepscommissie, dat de fouillering op het lichaam een subsidiair karakter heeft en beschouwd moet worden als ultimum remedium. Als men een minder ingrijpende methode kan gebruiken om zijn doel te bereiken, dan moet de directie eerst deze uitputten. In dit geval zou een voorafgaande celcontrole reeds duidelijkheid gebracht hebben. Indien de directie na een celcontrole meent dat er nog steeds ernstige aanwijzingen zijn dat een gedetineerde verboden voorwerpen op het lichaam verborgen heeft, dan moet zij dit motiveren.
Om deze redenen is de klacht gegrond.


Wat betreft de tuchtbeslissing:
Het rapport aan de directeur (RAD) beschrijft een celcontrole waarbij 3 gsm’s, twee laadkabels en twee blokjes en een USB-stick werd gevonden. Bovendien werden ook verschillende pillen, een pijpje en een wit poeder gevonden. Naar aanleiding van het RAD werd een tuchtprocedure opgestart tegen klager voor “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”, “het bezit of het gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken” en “het niet-naleven van de in het huishoudelijk reglement van de gevangenis voorgeschreven bepalingen met betrekking tot de voorwerpen die in het bezit worden gesteld of gelaten van de gedetineerde”.

Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting stelt klager dat hij slechts 5 dagen op die cel aanwezig is en dat hij er niets mee te maken heeft. De directie stelt echter dat het onmogelijk is dat hij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van deze verboden voorwerpen in zijn cel en dat het hem steeds vrij staat om een celmutatie aan te vragen. De klachtencommissie stelt vast dat de directie enkel motiveert waarom klager op de hoogte was van een gsm in zijn cel. Zij geeft echter geen enkele reden waarom klager de gsm of drugs gebruikt zou hebben, noch waarom hij de eigenaar zou zijn. De directie motiveert ook niet waarom zij dit ziet als een medeplichtigheid aan de tuchtinbreuken. De directie motiveert enkel dat klager op de hoogte was en hier geen melding van maakte. Zij noemt dit “passieve deelname”. De deelneming aan een tuchtrechtelijke inbreuk wordt gestraft met dezelfde straffen als de tuchtrechtelijke inbreuk zelf.

Toegepast op de penitentiaire context is de klachtencommissie van oordeel dat de louter passieve houding van klager waarbij hij de directie niet heeft ingelicht over verboden voorwerpen of substanties op zijn cel, niet volstaat om te spreken van een “gekwalificeerde onthouding”. De
klachtencommissie meent immers dat op klager geen positieve verplichting kan rusten om de directie op de hoogte te brengen van tuchtrechtelijke inbreuken gepleegd door zijn celgenoten. Er is immers een internationale consensus dat gedetineerden niet verplicht kunnen worden incidenten of tuchtinbreuken te melden waarbij andere gevangenen betrokken zijn, aangezien dergelijke aanname leidt tot spanningen, geweld en intimidatie tussen gedetineerden onderling. Hierbij riskeren in het bijzonder zwakkere gedetineerden uitgebuit te worden. Dergelijke veronderstelling leidt op haar beurt aldus tot een situatie van gevaar voor de interne veiligheid. De klachtencommissie meent dat dit bovendien des te meer geldt gelet op de korte periode (5 dagen) sinds klager op de betrokken cel zat.

De klachtencommissie wijst er bovendien op dat er in dit dossier sprake is van een ondubbelzinnige bekentenis van een van de celgenoten van klager dat de gevonden spullen aan hem toebehoorden. In de motivering van de tuchtbeslissing van klager werd niet getwijfeld aan de waarachtigheid van de schuldbekentenis van de celgenoot van klager. Ter zitting bevestigt de directeur dat er een bekentenis was van een celgenoot en stelt hij dat de tuchtbeslissing werd genomen omdat klager op de hoogte was van deze tuchtinbreuk. De beroepscommissie oordeelde reeds meermaals dat het louter op de hoogte zijn in een dergelijk geval niet gelijkgesteld kan worden met deelneming aan de tuchtinbreuk. Om deze redenen is de klacht gegrond.