Ga verder naar de inhoud

KC04/22-0103

Gegrond KC - Beveren Klachtencommissie Tucht
TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK

De directeur heeft zich voor het bewijs en de kwalificatie van de in de RAD’s ten laste gelegde feiten, gebaseerd op de vaststellingen van de dienstdoende PBA. Andere PBA’s worden vermeld als getuige van de feiten. Het rapport is duidelijk. Het personeelslid dat het rapport heeft opgesteld, vermeldt geen twijfel in het rapport. Er zijn geen tegenstrijdigheden tussen het rapport en andere elementen uit het dossier.

De klachtencommissie oordeelt dat de tuchtinbreuken van de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee en het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden op basis van het gedrag en de uitlatingen van klager, zoals beschreven in de RAD’s, ten aanzien van de beambten bewezen zijn. Klager spreekt dit ook niet tegen.

De tuchtrechtelijke inbreuk van het niet naleven van het huishoudelijk reglement kan enkel aan de gedetineerde ten laste worden gelegd als de overtreden ‘regel’ een regel betreft die ook daadwerkelijk een schriftelijke neerslag vindt in het huishoudelijk reglement. De directie valt voor deze kwalificatie terug op de algemene bepaling in het huishoudelijk reglement (p.3 – II. Algemene bepalingen). ). Deze bepaling kan niet als grondslag dienen om als een soort van ‘vangnetbepaling’. De kwalificatie van het niet-naleven van het huishoudelijk reglement kan volgens de klachtencommissie dan ook niet overeind blijven.

De tuchtprocedure is wettelijk verlopen. De sanctie is redelijk en billijk, rekening houdend met het tuchtregister van klager en met alle elementen in het dossier .

De klacht is gedeeltelijk gegrond ingevolge artikel 158, §2, 1° van de Basiswet. De uitspraak van de klachtencommissie moet in de plaats komen van de gedeeltelijk vernietigde beslissing .