Ga verder naar de inhoud

KC04/22-0106

Ongegrond KC - Beveren Klachtencommissie Tucht
TUCHT

De directeur heeft zich voor het bewijs en de kwalificatie van de in het RAD ten laste gelegde feiten, gebaseerd op de vaststellingen van de dienstdoende PBA. Twee andere PBA’s worden vermeld als getuige van de feiten. Het rapport is duidelijk. Het personeelslid dat het rapport heeft opgesteld, vermeldt geen twijfel in het rapport. Er zijn geen tegenstrijdigheden tussen het rapport en andere elementen uit het dossier.

Hoewel het niet met zoveel woorden in het huishoudelijk reglement opgenomen staat, volgt de inbreuk van het niet-naleven van de bepalingen in het huishoudelijk reglement uit de bepaling omtrent de voorwerpen waarvan het aan de gedetineerde toegelaten is om ze in zijn verblijfsruimte te hebben (cfr. IV. Materiële levensvoorwaarden, 2. Bezit van voorwerpen, 3.b) voorwerpen die deel uitmaken van het dagelijks leven van de gedetineerde: “- de voorgeschreven medicatie en de medicatie die de gedetineerde ontvangen heeft overeenkomstig de procedure zelfmedicatie”) samengelezen met de bepaling onder datzelfde hoofdstuk, punt 4, waarbij gesteld wordt dat men een verzoek moet indienen bij de directeur indien men andere voorwerpen of een grotere hoeveelheid van deze goederen wenst te hebben. Op basis van deze samenlezing is het aldus op grond van het huishoudelijk reglement verboden om grotere hoeveelheden medicatie dan op een bepaald moment noodzakelijk in de verblijfsruimte te hebben.

De beslissing om een berisping op te leggen acht de klachtencommissie aldus wettig, redelijk en billijk .

De klacht tegen de tuchtbeslissing is ongegrond.