KC04/23-0205
Gegrond
KC - Beveren
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
Fouille op het lichaam
FOUILLE LICHAAM - MOTIVERING - ZORGPLICHT
De klacht is tweevoudig en betreft een fouillering op het lichaam enerzijds en een ontneming van klagers muziekbox anderzijds.
Wat betreft de klacht met betrekking tot de fouillering op het lichaam: een onderzoek aan het lichaam heeft een subsidiair karakter en moet beschouwd worden als ultimum remedium. Wanneer er andere, minder ingrijpende methoden zijn om het doel te bereiken, zoals een onderzoek op de kledij, moet men deze eerst uit te putten. Wanneer een minder ingrijpende methode niet volstaat, moet men motiveren waarom dat zo is. De motivering voldoet niet aan dit aspect. In de beslissing wordt niet verantwoord waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan.
De directie verwijst in haar schriftelijk verweer bijkomend naar het feit dat verboden substanties verstopt worden op het lichaam of in het ondergoed, waardoor een fouille aan de kledij niet volstaat. Deze a posteriori medegedeelde informatie doet geen afbreuk aan hetgeen hierboven gesteld is: er anders over oordelen zou de rechtsbescherming van de gedetineerde zoals voorzien in de Basiswet uithollen. De klacht is gegrond.
Wat betreft de klacht met betrekking tot de ontneming van klagers muziekbox: een louter feitelijk handelen van penitentiair beambten dat geen verband houdt met de uitvoering van een beslissing van de directie, valt op zichzelf, bij gebrek aan een beslissing van (of namens) de directie, niet onder het toepassingsgebied van het beklagrecht.
Echter, op de zitting van de klachtencommissie is gebleken dat klager beroep heeft gedaan op de directie om het incident te melden. De directie heeft klager in eerste instantie gemeld van niks te weten. Vervolgens heeft de directie hem gezegd dat zijn muziekbox was afgenomen omdat hij er spullen in zou hebben verstopt. Het staat aldus buiten kijf dat de directie op de hoogte was van de ontneming van de muziekbox. Uit de zitting is gebleken dat klager tot op het moment van de zitting van de klachtencommissie zijn muziekbox niet heeft teruggekregen. De klachtencommissie meent dat de directie aldus in elk geval verzuimd heeft om binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen waartoe de directie gehouden was met het oog op de uitvoering van de vrijheidsstraf in psychosociale, fysieke en materiƫle omstandigheden die de waardigheid van de mens eerbiedigen. De klacht is aldus ontvankelijk.
Uit het vastgestelde verzuim vloeit onmiddellijk de gegrondheid van de klacht voort.
De klacht is tweevoudig en betreft een fouillering op het lichaam enerzijds en een ontneming van klagers muziekbox anderzijds.
Wat betreft de klacht met betrekking tot de fouillering op het lichaam: een onderzoek aan het lichaam heeft een subsidiair karakter en moet beschouwd worden als ultimum remedium. Wanneer er andere, minder ingrijpende methoden zijn om het doel te bereiken, zoals een onderzoek op de kledij, moet men deze eerst uit te putten. Wanneer een minder ingrijpende methode niet volstaat, moet men motiveren waarom dat zo is. De motivering voldoet niet aan dit aspect. In de beslissing wordt niet verantwoord waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan.
De directie verwijst in haar schriftelijk verweer bijkomend naar het feit dat verboden substanties verstopt worden op het lichaam of in het ondergoed, waardoor een fouille aan de kledij niet volstaat. Deze a posteriori medegedeelde informatie doet geen afbreuk aan hetgeen hierboven gesteld is: er anders over oordelen zou de rechtsbescherming van de gedetineerde zoals voorzien in de Basiswet uithollen. De klacht is gegrond.
Wat betreft de klacht met betrekking tot de ontneming van klagers muziekbox: een louter feitelijk handelen van penitentiair beambten dat geen verband houdt met de uitvoering van een beslissing van de directie, valt op zichzelf, bij gebrek aan een beslissing van (of namens) de directie, niet onder het toepassingsgebied van het beklagrecht.
Echter, op de zitting van de klachtencommissie is gebleken dat klager beroep heeft gedaan op de directie om het incident te melden. De directie heeft klager in eerste instantie gemeld van niks te weten. Vervolgens heeft de directie hem gezegd dat zijn muziekbox was afgenomen omdat hij er spullen in zou hebben verstopt. Het staat aldus buiten kijf dat de directie op de hoogte was van de ontneming van de muziekbox. Uit de zitting is gebleken dat klager tot op het moment van de zitting van de klachtencommissie zijn muziekbox niet heeft teruggekregen. De klachtencommissie meent dat de directie aldus in elk geval verzuimd heeft om binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen waartoe de directie gehouden was met het oog op de uitvoering van de vrijheidsstraf in psychosociale, fysieke en materiƫle omstandigheden die de waardigheid van de mens eerbiedigen. De klacht is aldus ontvankelijk.
Uit het vastgestelde verzuim vloeit onmiddellijk de gegrondheid van de klacht voort.