KC04/23-0212
Ongegrond
Onontvankelijk
KC - Beveren
Klachtencommissie
Tucht
Ordemaatregel
ORDEMAATREGEL - ONTSLAG - ARBEID - GEZONDHEID
De eerste klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing.
Klager duidde op zijn eerste klachtenformulier aan dat zijn klacht gericht is tegen een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Beveren. Er is in dit geval echter geen sprake van dergelijke beslissing. Vermoedelijk bedoelt klager ook hier de beslissing tot afzetting van werk. De eerste klacht is niet-ontvankelijk.
De tweede klacht is gericht tegen een beslissing tot afzetting van werk.
De tweede klacht is ontvankelijk.
Volgens de dienstnota arbeid – tucht – veiligheidsmaatregel van 18 juni 2015, kan een gedetineerde worden afgezet uit zijn werk indien de gedetineerde niet langer geschikt is voor zijn arbeidspost. Als voorbeelden worden gegeven: indien hij niet de vereiste “technische” kwaliteiten heeft, of om een andere reden niet geschikt is voor die arbeidspost, bv. heeft problemen hebben met op tijd te zijn, met regelmatigheid, heeft een onvoldoende hygiënische verzorging. Deze voorbeelden dienen louter ter illustratie en zijn niet exhaustief.
De klachtencommissie is van oordeel dat het ongewettigd afwezig zijn op de arbeidspost, een gedetineerde “ongeschikt” maakt voor zijn arbeidspost. Dit ligt namelijk in lijn met “problemen hebben met op tijd zijn”.
De directie kon, aangezien hij zonder geldige reden afwezig was, overgaan tot de afzetting van klager via ordemaatregel van zijn werkzaamheden als wasserijwerker. Klager werd over deze situatie voorafgaand aan het nemen van de ordemaatregel gehoord door de directie en kreeg bovendien een waarschuwing. De klachtencommissie beveelt aan dat de directie in het vervolg, vanuit bewijsrechtelijk oogpunt, een schriftelijke weerslag voorziet van dergelijke waarschuwingen. De ordemaatregel werd voldoende gemotiveerd.
De klachtencommissie is van oordeel dat de bestreden ordemaatregel tot afzetting van werk niet onwettig of onredelijk is. Hoewel klager wel bijkomende stukken aanbracht op zitting, konden deze zijn beweringen niet staven. De verklaringen van klager worden bovendien tegengesproken door de betrokken geneesheren.
Klager was meerdere malen afwezig op het werk en legde geen medisch attest voor. Alvorens ontslagen te worden, kreeg klager een formele waarschuwing. Op basis van de vele onregelmatige afwezigheden, kon de directie beslissen dat klager niet geschikt was voor de arbeidspost. De ontslagbeslissing werd schriftelijk medegedeeld en is gemotiveerd. De directie heeft op een billijke manier de beslissing tot afzetting van werk genomen en heeft bovendien bijkomende onderzoeksdaden verricht om tot een zorgvuldige feitenvinding te komen (cf. het bevragen van twee verschillende artsen die de beweringen van klager zouden kunnen ondersteunen). De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot ontslag niet onwettig, onredelijk of onbillijk is.
Om alle bovenstaande redenen is de klacht niet gegrond. De bestreden beslissing tot afzetting van werk blijft bestaan.
De eerste klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing.
Klager duidde op zijn eerste klachtenformulier aan dat zijn klacht gericht is tegen een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Beveren. Er is in dit geval echter geen sprake van dergelijke beslissing. Vermoedelijk bedoelt klager ook hier de beslissing tot afzetting van werk. De eerste klacht is niet-ontvankelijk.
De tweede klacht is gericht tegen een beslissing tot afzetting van werk.
De tweede klacht is ontvankelijk.
Volgens de dienstnota arbeid – tucht – veiligheidsmaatregel van 18 juni 2015, kan een gedetineerde worden afgezet uit zijn werk indien de gedetineerde niet langer geschikt is voor zijn arbeidspost. Als voorbeelden worden gegeven: indien hij niet de vereiste “technische” kwaliteiten heeft, of om een andere reden niet geschikt is voor die arbeidspost, bv. heeft problemen hebben met op tijd te zijn, met regelmatigheid, heeft een onvoldoende hygiënische verzorging. Deze voorbeelden dienen louter ter illustratie en zijn niet exhaustief.
De klachtencommissie is van oordeel dat het ongewettigd afwezig zijn op de arbeidspost, een gedetineerde “ongeschikt” maakt voor zijn arbeidspost. Dit ligt namelijk in lijn met “problemen hebben met op tijd zijn”.
De directie kon, aangezien hij zonder geldige reden afwezig was, overgaan tot de afzetting van klager via ordemaatregel van zijn werkzaamheden als wasserijwerker. Klager werd over deze situatie voorafgaand aan het nemen van de ordemaatregel gehoord door de directie en kreeg bovendien een waarschuwing. De klachtencommissie beveelt aan dat de directie in het vervolg, vanuit bewijsrechtelijk oogpunt, een schriftelijke weerslag voorziet van dergelijke waarschuwingen. De ordemaatregel werd voldoende gemotiveerd.
De klachtencommissie is van oordeel dat de bestreden ordemaatregel tot afzetting van werk niet onwettig of onredelijk is. Hoewel klager wel bijkomende stukken aanbracht op zitting, konden deze zijn beweringen niet staven. De verklaringen van klager worden bovendien tegengesproken door de betrokken geneesheren.
Klager was meerdere malen afwezig op het werk en legde geen medisch attest voor. Alvorens ontslagen te worden, kreeg klager een formele waarschuwing. Op basis van de vele onregelmatige afwezigheden, kon de directie beslissen dat klager niet geschikt was voor de arbeidspost. De ontslagbeslissing werd schriftelijk medegedeeld en is gemotiveerd. De directie heeft op een billijke manier de beslissing tot afzetting van werk genomen en heeft bovendien bijkomende onderzoeksdaden verricht om tot een zorgvuldige feitenvinding te komen (cf. het bevragen van twee verschillende artsen die de beweringen van klager zouden kunnen ondersteunen). De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot ontslag niet onwettig, onredelijk of onbillijk is.
Om alle bovenstaande redenen is de klacht niet gegrond. De bestreden beslissing tot afzetting van werk blijft bestaan.