VOORLOPIGE MAATREGEL
Klager dient een klacht in tegen een voorlopige maatregel.
De voorlopige maatregel houdt in dat klager wordt uitgesloten van de deelname aan alle gemeenschappelijke activiteiten (waaronder gemeenschappelijke wandeling), werk en tafelbezoek en ongestoord bezoek.
De klachtencommissie erkent dat klager met zijn gedrag minstens de orde heeft verstoord in de zin van artikel 145, §1, tweede lid van de Basiswet.
Bij de verstoring van de orde of veiligheid in de zin van artikel 145, §1, tweede lid van de Basiswet kan de directeur de in artikel 112, §1, 1°, 2° en 3° bedoelde bijzondere veiligheidsmaatregelen opleggen als voorlopige maatregel. Deze maatregelen zijn de volgende:
- het ontnemen of onthouden van voorwerpen;
- de uitsluiting van deelname aan bepaalde gemeenschappelijke of individuele activiteiten;
- de observatie overdag en tijdens de nacht, maar met maximale eerbiediging van de nachtrust.
Hieruit volgt dat de uitsluiting van tafel- en ongestoord bezoek niet kan worden opgelegd als voorlopige maatregel in de zin van artikel 145, §1, tweede lid van de Basiswet.
Artikel 113, §1 van de Basiswet bepaalt zelfs uitdrukkelijk dat de gedetineerde die het voorwerp is van een maatregel bedoeld in artikel 112, §1 het recht op contacten met de buitenwereld behoudt, voor zover de uitoefening van deze rechten niet onverenigbaar is met de veiligheidsmaatregel. Met andere woorden, het behoud van bezoek wordt uitdrukkelijk gewaarborgd bij het opleggen van een voorlopige maatregel. De klachtencommissie meent dan ook dat de voorlopige maatregel onwettig is, voor wat betreft de uitsluiting van klager aan het tafel- en ongestoord bezoek.
Ten overvloede merkt de klachtencommissie op dat de uitsluiting van klager aan het tafel- en ongestoord bezoek ook onredelijk is. Redelijkheid houdt onder meer in dat een maatregel pertinent dient te zijn om het beoogde doel te bereiken, in casu het herstellen van de orde en veiligheid. In het licht hiervan, ziet de klachtencommissie niet in hoe de uitsluiting van tafel- en ongestoord bezoek kan bijdragen aan het herstellen van de orde en veiligheid. De feiten, die hebben geleid tot de verstoring van de orde, hebben zich namelijk afgespeeld in het cellencomplex, niet in de bezoekersruimte. De directie heeft ook geen enkel argument aangebracht in de motivering van de voorlopige maatregel om te verantwoorden waarom deze maatregel pertinent was om het beoogde doel te bereiken. De klachtencommissie meent dan ook dat de voorlopige maatregel onredelijk is, voor wat betreft de uitsluiting van klager aan tafel- en ongestoord bezoek. Bovendien leidt deze onredelijkheid ook tot een schending van het motiveringsbeginsel, zoals uitdrukkelijk voorzien in artikel 8 van de Basiswet. De klachtencommissie meent dat de directie onvoldoende motiveert waarom de genomen maatregel geschikt en noodzakelijk is om het beoogde doel, het herstellen van de orde en veiligheid, te bereiken.
Wat betreft de uitsluiting van klager aan de gemeenschappelijke activiteiten (waaronder de gemeenschappelijk wandeling) en werk, komt de klachtencommissie tot een gelijkaardige conclusie. Vooreerst merkt de klachtencommissie op dat, i.t.t. de uitsluiting aan het tafel- en ongestoord bezoek, de uitsluiting aan gemeenschappelijke activiteiten en werk een maatregel is die voorzien is door de Basiswet. Bovendien aanvaardt de klachtencommissie dat deze maatregel gepast kan zijn om de orde en veiligheid te herstellen. Deze spelen zich noodzakelijkerwijze af in gemeenschappelijk verband, waar orde noodzakelijk is. Klager heeft met zijn gedrag de orde verstoort. Daarom aanvaardt de klachtencommissie dat er een redelijk verband bestaat tussen de maatregel en klagers gedrag. Beide hebben namelijk betrekking op de orde in gemeenschapsverband. Echter, de motivering van de directie laat na dit redelijk verband te reflecteren. De motivering van de directie beperkt zich tot het schetsen van het verstorend gedrag van klager, waarop de directie meteen overgaat tot de volgende conclusie “gezien de feiten en vooral het excessieve gedrag, wordt de volgende voorlopige maatregel genomen”. Op geen enkele manier echter, motiveert de directeur waarom het opleggen van de maatregel tot uitsluiting aan de gemeenschappelijke activiteiten (waaronder de gemeenschappelijk wandeling) en werk geschikt en noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken. De directie verwijst in haar schriftelijk verweer bijkomend het op feit dat klagers gedrag “een rechtstreekse invloed heeft op de orde en veiligheid op de vleugel en omdat de houding en het gedrag van betrokkene dermate buiten proportie was, was een voorlopige maatregel noodzakelijk. Ook om te vermijden dat het gedrag zou overgenomen worden door andere gedetineerden op de vleugel met de risico’s voor de interne veiligheid, was een voorlopige maatregel noodzakelijk. Het was bovendien niet de eerste keer dat betrokkene storend gedrag vertoonde, betrokkene kent een uitgebreide tuchthistoriek van gedrag dat kan escaleren.” Deze a posteriori medegedeelde informatie doet geen afbreuk aan hetgeen hierboven gesteld is: er anders over oordelen zou de rechtsbescherming van de gedetineerde zoals voorzien in de Basiswet uithollen. De klachtencommissie stelt dan ook een schending vast van artikel 8 van de Basiswet en het motiveringsbeginsel, voor wat betreft de uitsluiting van klager aan de gemeenschappelijke activiteiten (waaronder de gemeenschappelijk wandeling) en werk.
Om deze redenen is de klacht gegrond.
Klager dient een klacht in tegen een voorlopige maatregel.
De voorlopige maatregel houdt in dat klager wordt uitgesloten van de deelname aan alle gemeenschappelijke activiteiten (waaronder gemeenschappelijke wandeling), werk en tafelbezoek en ongestoord bezoek.
De klachtencommissie erkent dat klager met zijn gedrag minstens de orde heeft verstoord in de zin van artikel 145, §1, tweede lid van de Basiswet.
Bij de verstoring van de orde of veiligheid in de zin van artikel 145, §1, tweede lid van de Basiswet kan de directeur de in artikel 112, §1, 1°, 2° en 3° bedoelde bijzondere veiligheidsmaatregelen opleggen als voorlopige maatregel. Deze maatregelen zijn de volgende:
- het ontnemen of onthouden van voorwerpen;
- de uitsluiting van deelname aan bepaalde gemeenschappelijke of individuele activiteiten;
- de observatie overdag en tijdens de nacht, maar met maximale eerbiediging van de nachtrust.
Hieruit volgt dat de uitsluiting van tafel- en ongestoord bezoek niet kan worden opgelegd als voorlopige maatregel in de zin van artikel 145, §1, tweede lid van de Basiswet.
Artikel 113, §1 van de Basiswet bepaalt zelfs uitdrukkelijk dat de gedetineerde die het voorwerp is van een maatregel bedoeld in artikel 112, §1 het recht op contacten met de buitenwereld behoudt, voor zover de uitoefening van deze rechten niet onverenigbaar is met de veiligheidsmaatregel. Met andere woorden, het behoud van bezoek wordt uitdrukkelijk gewaarborgd bij het opleggen van een voorlopige maatregel. De klachtencommissie meent dan ook dat de voorlopige maatregel onwettig is, voor wat betreft de uitsluiting van klager aan het tafel- en ongestoord bezoek.
Ten overvloede merkt de klachtencommissie op dat de uitsluiting van klager aan het tafel- en ongestoord bezoek ook onredelijk is. Redelijkheid houdt onder meer in dat een maatregel pertinent dient te zijn om het beoogde doel te bereiken, in casu het herstellen van de orde en veiligheid. In het licht hiervan, ziet de klachtencommissie niet in hoe de uitsluiting van tafel- en ongestoord bezoek kan bijdragen aan het herstellen van de orde en veiligheid. De feiten, die hebben geleid tot de verstoring van de orde, hebben zich namelijk afgespeeld in het cellencomplex, niet in de bezoekersruimte. De directie heeft ook geen enkel argument aangebracht in de motivering van de voorlopige maatregel om te verantwoorden waarom deze maatregel pertinent was om het beoogde doel te bereiken. De klachtencommissie meent dan ook dat de voorlopige maatregel onredelijk is, voor wat betreft de uitsluiting van klager aan tafel- en ongestoord bezoek. Bovendien leidt deze onredelijkheid ook tot een schending van het motiveringsbeginsel, zoals uitdrukkelijk voorzien in artikel 8 van de Basiswet. De klachtencommissie meent dat de directie onvoldoende motiveert waarom de genomen maatregel geschikt en noodzakelijk is om het beoogde doel, het herstellen van de orde en veiligheid, te bereiken.
Wat betreft de uitsluiting van klager aan de gemeenschappelijke activiteiten (waaronder de gemeenschappelijk wandeling) en werk, komt de klachtencommissie tot een gelijkaardige conclusie. Vooreerst merkt de klachtencommissie op dat, i.t.t. de uitsluiting aan het tafel- en ongestoord bezoek, de uitsluiting aan gemeenschappelijke activiteiten en werk een maatregel is die voorzien is door de Basiswet. Bovendien aanvaardt de klachtencommissie dat deze maatregel gepast kan zijn om de orde en veiligheid te herstellen. Deze spelen zich noodzakelijkerwijze af in gemeenschappelijk verband, waar orde noodzakelijk is. Klager heeft met zijn gedrag de orde verstoort. Daarom aanvaardt de klachtencommissie dat er een redelijk verband bestaat tussen de maatregel en klagers gedrag. Beide hebben namelijk betrekking op de orde in gemeenschapsverband. Echter, de motivering van de directie laat na dit redelijk verband te reflecteren. De motivering van de directie beperkt zich tot het schetsen van het verstorend gedrag van klager, waarop de directie meteen overgaat tot de volgende conclusie “gezien de feiten en vooral het excessieve gedrag, wordt de volgende voorlopige maatregel genomen”. Op geen enkele manier echter, motiveert de directeur waarom het opleggen van de maatregel tot uitsluiting aan de gemeenschappelijke activiteiten (waaronder de gemeenschappelijk wandeling) en werk geschikt en noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken. De directie verwijst in haar schriftelijk verweer bijkomend het op feit dat klagers gedrag “een rechtstreekse invloed heeft op de orde en veiligheid op de vleugel en omdat de houding en het gedrag van betrokkene dermate buiten proportie was, was een voorlopige maatregel noodzakelijk. Ook om te vermijden dat het gedrag zou overgenomen worden door andere gedetineerden op de vleugel met de risico’s voor de interne veiligheid, was een voorlopige maatregel noodzakelijk. Het was bovendien niet de eerste keer dat betrokkene storend gedrag vertoonde, betrokkene kent een uitgebreide tuchthistoriek van gedrag dat kan escaleren.” Deze a posteriori medegedeelde informatie doet geen afbreuk aan hetgeen hierboven gesteld is: er anders over oordelen zou de rechtsbescherming van de gedetineerde zoals voorzien in de Basiswet uithollen. De klachtencommissie stelt dan ook een schending vast van artikel 8 van de Basiswet en het motiveringsbeginsel, voor wat betreft de uitsluiting van klager aan de gemeenschappelijke activiteiten (waaronder de gemeenschappelijk wandeling) en werk.
Om deze redenen is de klacht gegrond.