Ga verder naar de inhoud

KC04/23-0272

Ongegrond KC - Beveren Klachtencommissie Tucht
TUCHT - TABAK

Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. Hij voert aan dat hij geen verboden substanties aan het roken was, maar sigaretten van het merk Winston, wat een stevige geur heeft.

De tuchtregeling in de Basiswet kent geen bijzondere bewijswaardering. Het bewijs in tuchtzaken is aldus vrij.

De Beroepscommissie meent dat een geurwaarneming een vaststelling is die op gelijke hoogte staat met andere zintuiglijke vaststellingen, zoals bijvoorbeeld vaststellingen gebaseerd op het uitzicht van de substantie. Volgens de Beroepscommissie kunnen deze vaststellingen evengoed een doorslaggevend element vormen als basis voor een tuchtbeslissing, zolang ze op een zorgvuldige wijze zijn gedaan.

De klachtencommissie oordeelt dat de geurwaarneming op zorgvuldige wijze gebeurde. Ten eerste, werd de geurwaarneming door vier beambten bevestigd. Bovendien heeft de beambte, die de oorspronkelijke vaststelling deed, de geurwaarneming gedaan toen hij de deur opende voor de etensbedeling. De beambte heeft de geur dus slechts waargenomen op het moment van het openen van de celdeur. Ondanks het feit dat er niets werd gevonden tijdens de celcontrole of de naaktfouille, meent de klachtencommissie dat de geurwaarneming aldus op voldoende zorgvuldige wijze werd gedaan, om als basis te kunnen dienen voor de tuchtbeslissing.

Bovendien meent de klachtencommissie dat klager incoherent is in zijn verdediging, wat de geloofwaardigheid van de vaststellingen van de beambte die het RAD heeft opgesteld, ondersteunt.

Om deze redenen meent de klachtencommissie dat de directie de tuchtrechtelijke feiten redelijkerwijze als bewezen kon beschouwen.

De klachtencommissie acht de tuchtsanctie bovendien ook wettelijk en redelijk.
Er werd een beroepsdossier met referentie BC/24-0013 opgestart