Ga verder naar de inhoud

KC04/23-0284

Onontvankelijk KC - Beveren Klachtencommissie Voorlopige maatregel Tucht Geen beslissing directeur
VOORLOPIGE MAATREGEL - GEEN BESLISSING DIRECTEUR - TUCHT - MOTIVERING - REDELIJKHEID

De klacht is drievoudig en betreft:
- een voorlopige maatregel;
- het niet-doorgaan van een UV;
- een tuchtbeslissing.

1. De voorlopige maatregel

De klachtencommissie merkt op dat de directie onzorgvuldig heeft opgetreden bij het invullen van het formulier, bijlage 6 bij collectieve brief nr. 124. Desondanks meent de klachtencommissie dat uit de motivering van de voorlopige maatregel blijkt dat het in elk geval niet gaat om het aanzetten of voeren van collectieve acties die de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar brengen. De klachtencommissie meent dat hierdoor aan het motiveringsbeginsel, zoals gewaarborgd door artikel 8 van de Basiswet, is voldaan.

De klachtencommissie buigt zich vervolgens over de wettelijke voorwaarden van de voorlopige maatregel. Een voorlopige maatregel kan worden opgelegd bij een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. De interne veiligheid is “een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding.”

De klachtencommissie meent dat de directie terecht heeft geoordeeld dat het gedrag van klager tijdens het incident de fysieke integriteit van zijn celgenoot in het gevaar bracht. Er is aldus voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van een voorlopige maatregel.

Om deze reden, is de klacht ongegrond.

2. Het niet-doorgaan van een UV

In voorliggend dossier is er geen sprake van een beslissing van de directie in de zin van artikel 148, eerste lid van de Basiswet. Er is enkel sprake van een melding (door de directie) aan de DDB. Om deze reden is de klacht niet-ontvankelijk.

3. De tuchtbeslissing

De klachtencommissie ziet geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van het RAD, aangezien deze nauwkeurig zijn opgesteld en het incident bovendien coherent schetsen. De verschillende RADs vullen elkaar namelijk aan en bevestigen elkaar daardoor. Hoewel klager de feiten ontkent, zoals blijkt uit zijn klachtenformulier en de nota’s van de tuchtrechtelijke hoorzitting, meent de klachtencommissie dat de directie de feiten als bewezen kon beschouwen.

De klachtencommissie meent bovendien dat de tuchtbeslissing naar behoren gemotiveerd is. Het is duidelijk welke motieven aan de grondslag van de beslissing liggen.

De klachtencommissie buigt zich tot slot over de redelijkheid van de beslissing. Gelet op de ernst van de feiten en het feit dat klager dit jaar reeds tuchtrechtelijk gesanctioneerd is voor dezelfde inbreuk, meent de klachtcommissie dat de sanctie niet onredelijk is.

De klacht is ongegrond.