Ga verder naar de inhoud

KC04/24-0024

Ongegrond Gegrond Tegemoetkoming KC - Beveren Klachtencommissie Andere beslissing directeur Voorlopige maatregel Bijzondere veiligheidsmaatregel Tucht Fouille op het lichaam
FOUILLE LICHAAM - FEITELIJK HANDELEN - VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - BIJZONDERE VEIILIGHEIDSMAATREGEL - TEGEMOETKOMING

De eerste klacht is gericht tegen de uitvoering van de fouillering op het lichaam (naaktfouille).
Klager beklaagt zich over het feit dat hij geen handdoek heeft gekregen toen hij de fouillering op het lichaam onderging. Uit het RAD blijkt dat klager een handdoek werd aangeboden, maar dat hij deze in het gezicht van de beambte gooide. De rapporten die de penitentiair beambten in de uitoefening van hun functie opstellen, vormen voor de gevangenisdirecteur principieel en bij ontstentenis van tegenindicaties een deugdelijke grondslag om het bestaan en de ernst van de feiten te beoordelen. De aanwezigheid van de vereiste handtekeningen op rapporten aan de directeur is van belang, o.a. in de beoordeling van de geloofswaarheid die de directeur aan de rapporten geeft. De klachtencommissie is van oordeel dat de directeur kon voortgaan op de inhoud van het rapport. De klachtencommissie ziet geen reden om te twijfelen aan de inhoud van het rapport, en dus het feit dat aan klager weldegelijk een handdoek werd aangeboden in het kader van de naaktfouille.
Om deze reden is de eerste klacht niet gegrond.

De tweede klacht is gericht tegen een feitelijk handelen van de penitentiair beambte(n) naar aanleiding van een celcontrole.
De klachtencommissie zag op de camerabeelden de beweringen van klager (althans gedeeltelijk) bevestigd; na het inslikken van een usb-stick (zo blijkt uit klagers verklaringen op de zitting van de klachtencommissie), grijpen de beambten zijn mond/kaken vast. Door de manier waarop de camera’s gericht zijn, is niet te zien of de vingers klagers mond effectief binnendringen. Wat wel duidelijk te zien is op de camerabeelden, is dat ten minste vaststaat dat de handen/vingers van de beambten klagers mond/kaken hebben vastgegrepen en dat klager hardhandig werd aangepakt.
Artikel 5 van de Basiswet bepaalt dat de vrijheidsstraf ten uitvoer wordt gelegd in psychosociale, fysieke en materiële omstandigheden die de waardigheid van de mens eerbiedigingen en die het behoud of de groei van het zelfrespect van de gedetineerde mogelijk maken.
De klachtencommissie meent dat de directie haar zorgplicht heeft geschonden. De directie heeft naar eigen zeggen de camerabeelden bekeken, waardoor ze op de hoogte was van het feitelijk handelen van de beambten. Hierna kreeg ze (weliswaar a posteriori) de kans om aan haar zorgplicht tegemoet te komen. Het is de verantwoordelijkheid van het inrichtingshoofd om, door een bepaald beleid te voeren of een bepaalde maatregel te nemen, de gedetineerde te vrijwaren van (bijvoorbeeld) feitelijk handelen van beambten die zijn fysieke integriteit schenden en indien zijn fysieke integriteit is geschonden, hiertegen op te treden. Dit liet zij na.
Om deze redenen is de tweede klacht gegrond. De klachtencommissie kent aan klager de volgende tegemoetkoming toe: één extra wandeling.

De derde klacht is gericht tegen de beslissing van de directie van de gevangenis van Beveren waarbij ten aanzien van klager een voorlopige maatregel werd opgelegd.
In geval van ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid, kan de directeur, in afwachting van de tuchtprocedure, de voorlopige maatregel van de plaatsing op een beveiligde cel opleggen. De voorlopige maatregel is gemotiveerd en genomen door de directie. Gelet op de beweging van klager en het gegeven dat er geen kennis was van wat klager (mogelijk) inslikte, kon de directie beslissen dat er sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Hierdoor was de beslissing tot voorlopige maatregel verantwoord. De maatregel heeft geen bestraffend karakter. De directie kon de voorlopige maatregel opleggen. De derde klacht is niet gegrond.

De vierde klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Beveren.
Klager kreeg bij tuchtbeslissing een tuchtsanctie opgelegd van dertig dagen ATV voor de volgende inbreuken: 1) de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee ; 2) de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee ; 3) de opzettelijke aantasting van de orde ; 4) het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties ; 5) het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden.
Gelet op de gedetailleerde vaststellingen uit de verschillende RAD, die werden opgesteld door verschillende beambten en waarbij ook telkens één of meerdere getuigen van de feiten werden genoemd, acht de klachtencommissie het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte en ze aan klager toerekende. De klachtencommissie acht de kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd in de tuchtbeslissing.
Klager kreeg dertig dagen ATV opgelegd. Deze is wettig. Gelet op alle elementen in dit dossier, acht de klachtencommissie deze sanctie ook redelijk en billijk.
Om deze redenen is de vierde klacht niet gegrond.

De vijfde klacht is gericht tegen een bijzondere veiligheidsmaatregel (BVM).
Aangezien uit de stukken niet blijkt dat klager werd gehoord in het kader van de bijzondere veiligheidsmaatregel, noch vooraf aan het nemen van de beslissing, noch zo spoedig mogelijk indien de situatie van gevaar geen uitstel duldt, is de beslissing van de directie tot het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel onwettig.
De vijfde klacht is gegrond.