KC04/24-0130
KC - Beveren
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
Fouille op het lichaam
FOUILLERING OP HET LICHAAM - VERZUIM
De klacht is gericht tegen de beslissing tot fouillering op het lichaam (naaktfouille). Op de zitting van de klachtencommissie van 13 mei 2024 heeft hij nogmaals benadrukt dat hij, ter gelegenheid van zijn plaatsing in de beveiligde cel, zich volledig moest uitkleden voor verschillende beambten, waaronder een vrouw.
Een situatie waarbij een gedetineerde wordt gedwongen om zich om te kleden in het bijzijn van beambten, is aldus een naaktfouille in de zin van de Basiswet. Deze moet het onderwerp zijn van een geïndividualiseerde beslissing van de directeur.
De klachtencommissie acht het geloofwaardig dat klager op 5 april 2024 werd geplaatst in de veiligheidscel en zich daarbij heeft moeten omkleden, gelet op zijn voldoende concrete verklaringen hieromtrent. Zij stelt vast dat er hierover geen geïndividualiseerde beslissing van de directeur is.
Er is aldus sprake van een verzuim om een beslissing te nemen in de zin van artikel 148 van de Basiswet.
Wat betreft de termijn voor het indienen van een klacht, bepaalt de Basiswet dat de klacht wordt ingediend uiterlijk de zevende dag na die waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen. Een na afloop van deze termijn ingediende klacht is niettemin ontvankelijk indien blijkt, rekening houdend met alle omstandigheden, dat de gedetineerde de klacht zo spoedig heeft ingediend als redelijkerwijs van hem verlangd kon worden.
Het klachtenformulier van klager dateert van 23 april 2024, zo volgt uit zijn relaas in de klacht. De bestreden beslissing dateert van 5 april 2024. De termijn van zeven dagen is dus overschreden.
De klachtencommissie meent echter dat dit gegeven niet de onontvankelijkheid van de klacht met zich meebrengt. Zo legt klager voor dat hij reeds op 8 april een eerste maal naar de Commissie van Toezicht schreef met betrekking tot zijn klacht. Op 14 april kaartte hij in een grief aan dat hij reeds meerdere keren een klachtenformulier heeft gevraagd, maar zonder succes. Dit herhaalt hij nogmaals in zijn klachtenformulier van 23 april en ter zitting van de klachtencommissie. De klachtencommissie meent dat klager weldegelijk heeft gepoogd om zijn klacht op de juiste manier in te dienen en dit ook vooraleer de termijn van zeven dagen was verstreken. Klager heeft zijn klacht dus zo spoedig mogelijk ingediend als redelijkerwijs van hem verlangd kon worden.
De klachtencommissie merkt bovendien op, zoals hierboven reeds gezegd, dat een formele beslissing van de directeur ontbreekt. Aangezien het niet duidelijk is of en wanneer klager kennis heeft gekregen van de beslissing van de directeur, kan de klachtencommissie niet nagaan of en wanneer de termijn uit artikel 150, §5, eerste lid zou zijn ingegaan.
De klacht is om deze redenen ontvankelijk.
De klachtencommissie meent dat uit de ontvankelijkheid van de klacht – het ontbreken van een geïndividualiseerde beslissing van de directie – meteen de gegrondheid van de klacht voortvloeit. Ze besluit daarom tot de onwettigheid van de naaktfouille.
De klacht is gegrond.
De klacht is gericht tegen de beslissing tot fouillering op het lichaam (naaktfouille). Op de zitting van de klachtencommissie van 13 mei 2024 heeft hij nogmaals benadrukt dat hij, ter gelegenheid van zijn plaatsing in de beveiligde cel, zich volledig moest uitkleden voor verschillende beambten, waaronder een vrouw.
Een situatie waarbij een gedetineerde wordt gedwongen om zich om te kleden in het bijzijn van beambten, is aldus een naaktfouille in de zin van de Basiswet. Deze moet het onderwerp zijn van een geïndividualiseerde beslissing van de directeur.
De klachtencommissie acht het geloofwaardig dat klager op 5 april 2024 werd geplaatst in de veiligheidscel en zich daarbij heeft moeten omkleden, gelet op zijn voldoende concrete verklaringen hieromtrent. Zij stelt vast dat er hierover geen geïndividualiseerde beslissing van de directeur is.
Er is aldus sprake van een verzuim om een beslissing te nemen in de zin van artikel 148 van de Basiswet.
Wat betreft de termijn voor het indienen van een klacht, bepaalt de Basiswet dat de klacht wordt ingediend uiterlijk de zevende dag na die waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen. Een na afloop van deze termijn ingediende klacht is niettemin ontvankelijk indien blijkt, rekening houdend met alle omstandigheden, dat de gedetineerde de klacht zo spoedig heeft ingediend als redelijkerwijs van hem verlangd kon worden.
Het klachtenformulier van klager dateert van 23 april 2024, zo volgt uit zijn relaas in de klacht. De bestreden beslissing dateert van 5 april 2024. De termijn van zeven dagen is dus overschreden.
De klachtencommissie meent echter dat dit gegeven niet de onontvankelijkheid van de klacht met zich meebrengt. Zo legt klager voor dat hij reeds op 8 april een eerste maal naar de Commissie van Toezicht schreef met betrekking tot zijn klacht. Op 14 april kaartte hij in een grief aan dat hij reeds meerdere keren een klachtenformulier heeft gevraagd, maar zonder succes. Dit herhaalt hij nogmaals in zijn klachtenformulier van 23 april en ter zitting van de klachtencommissie. De klachtencommissie meent dat klager weldegelijk heeft gepoogd om zijn klacht op de juiste manier in te dienen en dit ook vooraleer de termijn van zeven dagen was verstreken. Klager heeft zijn klacht dus zo spoedig mogelijk ingediend als redelijkerwijs van hem verlangd kon worden.
De klachtencommissie merkt bovendien op, zoals hierboven reeds gezegd, dat een formele beslissing van de directeur ontbreekt. Aangezien het niet duidelijk is of en wanneer klager kennis heeft gekregen van de beslissing van de directeur, kan de klachtencommissie niet nagaan of en wanneer de termijn uit artikel 150, §5, eerste lid zou zijn ingegaan.
De klacht is om deze redenen ontvankelijk.
De klachtencommissie meent dat uit de ontvankelijkheid van de klacht – het ontbreken van een geïndividualiseerde beslissing van de directie – meteen de gegrondheid van de klacht voortvloeit. Ze besluit daarom tot de onwettigheid van de naaktfouille.
De klacht is gegrond.