KC04/24-0166
Gegrond
KC - Beveren
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
ARBEID - PROPORTIONALITEIT - BEWIJS
De klacht betreft de beslissing van de directie van de gevangenis van Beveren om klager van de werkerslijst te halen.
Klager beklaagt zich over het feit dat de directie besliste om hem, in weerwil van haar initiële beslissing, van de werkerslijst te halen. Klager had zijn aanvraag om op de werkerslijst te staan oorspronkelijk gedaan op 23 maart 2024, nadat hij van de lijst werd geschrapt naar aanleiding van een opgelopen tuchtsanctie. Op 16 mei 2024 mocht klager uiteindelijk muteren naar de open sectie, maar werd hij op zijn nieuwe cel niet toegelaten door de twee bewoners. Om de situatie te ontmijnen, besloot hij terug te keren naar zijn oude cel op het gesloten regime. De directie was van mening dat klager zijn mutatie dus zelf weigerde.
De klachtencommissie nam kennis van de bijkomende stukken aangeleverd door klager en zijn advocaat. Deze stukken betreffen een kopie van:
- een verzoek van klager tot het verrichten van arbeid in de gevangenis (23 maart 2024);
- een rapportbriefje van klager met de vraag wat hij moet doen als hij niet welkom is in de cel (16 mei 2024);
- een vaststelling (observatiefiche) dat klager niet welkom was van de medegedetineerden en zij hem niet op cel wilden toelaten (16 mei 2024);
- een aanvraag van klager voor een gesprek met de directie in verband met de werkaanvraag die niet is doorgegaan, want klager bleek uiteindelijk niet op de werkerslijst te staan (25 mei 2024);
- een rapportbriefje van klager met de vraag om na te gaan of hij wel of niet op de werkerslijst staat (29 mei 2024).
De klachtencommissie meent dat de directie onbillijk en onredelijk is geweest bij het intrekken van haar initiële beslissing en het nemen van haar nieuwe beslissing. De klachtencommissie meent dat klagers beweringen, steun vinden in de voorgelegde stukken. Hieruit blijkt volgens de klachtencommissie duidelijk dat klager niet zélf heeft geweigerd om te muteren naar een cel op het open regime, maar dat hij niet werd toegelaten op deze cel door de twee toenmalige bewoners en genoodzaakt was om de cel te verlaten uit vrees voor escalatie. De stelling van de directie dat klager weigerde naar het open regime te gaan omdat de bewoners van de aan hem toegewezen cel geen Nederlands spraken, vindt volgens de klachtencommissie geen steun in de dossierstukken.
De klachtencommissie meent bovendien dat klager de problematiek voldoende heeft aangekaart bij de directie, en correct heeft gereageerd op de acute situatie die zich voordeed met zijn nieuwe celgenoten. Het kan klager bezwaarlijk verweten worden dat hij naar aanleiding van dit incident besloot om terug te keren naar het gesloten regime.
Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie zegt dat klager opnieuw op de werkerslijst moet worden geplaatst van het werkhuis (1 en 2), met terugwerkende kracht alsof hij de aanvraag zou hebben ingediend op 23 maart 2024.
De klacht betreft de beslissing van de directie van de gevangenis van Beveren om klager van de werkerslijst te halen.
Klager beklaagt zich over het feit dat de directie besliste om hem, in weerwil van haar initiële beslissing, van de werkerslijst te halen. Klager had zijn aanvraag om op de werkerslijst te staan oorspronkelijk gedaan op 23 maart 2024, nadat hij van de lijst werd geschrapt naar aanleiding van een opgelopen tuchtsanctie. Op 16 mei 2024 mocht klager uiteindelijk muteren naar de open sectie, maar werd hij op zijn nieuwe cel niet toegelaten door de twee bewoners. Om de situatie te ontmijnen, besloot hij terug te keren naar zijn oude cel op het gesloten regime. De directie was van mening dat klager zijn mutatie dus zelf weigerde.
De klachtencommissie nam kennis van de bijkomende stukken aangeleverd door klager en zijn advocaat. Deze stukken betreffen een kopie van:
- een verzoek van klager tot het verrichten van arbeid in de gevangenis (23 maart 2024);
- een rapportbriefje van klager met de vraag wat hij moet doen als hij niet welkom is in de cel (16 mei 2024);
- een vaststelling (observatiefiche) dat klager niet welkom was van de medegedetineerden en zij hem niet op cel wilden toelaten (16 mei 2024);
- een aanvraag van klager voor een gesprek met de directie in verband met de werkaanvraag die niet is doorgegaan, want klager bleek uiteindelijk niet op de werkerslijst te staan (25 mei 2024);
- een rapportbriefje van klager met de vraag om na te gaan of hij wel of niet op de werkerslijst staat (29 mei 2024).
De klachtencommissie meent dat de directie onbillijk en onredelijk is geweest bij het intrekken van haar initiële beslissing en het nemen van haar nieuwe beslissing. De klachtencommissie meent dat klagers beweringen, steun vinden in de voorgelegde stukken. Hieruit blijkt volgens de klachtencommissie duidelijk dat klager niet zélf heeft geweigerd om te muteren naar een cel op het open regime, maar dat hij niet werd toegelaten op deze cel door de twee toenmalige bewoners en genoodzaakt was om de cel te verlaten uit vrees voor escalatie. De stelling van de directie dat klager weigerde naar het open regime te gaan omdat de bewoners van de aan hem toegewezen cel geen Nederlands spraken, vindt volgens de klachtencommissie geen steun in de dossierstukken.
De klachtencommissie meent bovendien dat klager de problematiek voldoende heeft aangekaart bij de directie, en correct heeft gereageerd op de acute situatie die zich voordeed met zijn nieuwe celgenoten. Het kan klager bezwaarlijk verweten worden dat hij naar aanleiding van dit incident besloot om terug te keren naar het gesloten regime.
Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie zegt dat klager opnieuw op de werkerslijst moet worden geplaatst van het werkhuis (1 en 2), met terugwerkende kracht alsof hij de aanvraag zou hebben ingediend op 23 maart 2024.