Ga verder naar de inhoud

KC04/25-0068

Ongegrond KC - Beveren Klachtencommissie Ordemaatregel
ORDEMAATREGEL - ONTSLAG - ARBEID

De klacht is gericht tegen de ontslagbeslissing genomen door directie van de gevangenis van Beveren.
Klager werd bij ordemaatregel ontslagen als atelierwerker.Op grond van de Basiswet heeft een gedetineerde het recht om deel te nemen aan de in de gevangenis beschikbare arbeid. Het is de directeur die bevoegd is voor de toewijzing van de beschikbare arbeid aan de gedetineerde die erom vraagt. Deze bevoegdheid van de directeur wordt niet nader geregeld in de Basiswet. De beslissingen die de directeur in dit kader neemt, moeten dus niet aan specifieke voorwaarden voldoen. Het toewijzen van arbeid is dus een discretionaire en geen gebonden bevoegdheid van de directeur. Dit betekent dat de directeur vrij oordeelt over de geschiktheid van een gedetineerde voor een bepaalde werkplaats of een bepaalde functie.

De beslissing om iemand te ontslaan uit een functie moet wel aan een aantal algemene voorwaarden voldoen op grond van de Basiswet. Alle beslissingen die in het kader van de Basiswet worden genomen, moeten immers met redenen omkleed zijn. De redenen van de beslissing dienen de gedetineerde toe te laten te begrijpen waarom het werk niet langer als “passend werk” kan worden beschouwd. De directie is als administratieve overheid bovendien gebonden door het zorgvuldigheidsbeginsel. Het zorgvuldigheidsbeginsel vereist onder meer dat de gedetineerde actief wordt geïnformeerd over een beslissing.

De klachtencommissie besluit dat klager aan de hand van de schriftelijke beslissing van de directie voldoende werd geïnformeerd over zijn ontslag en de motieven die daaraan ten grondslag liggen. Uit de vaststellingen van meerdere personeelsleden blijkt dat klager een verwarde indruk maakte – wankelen, botsen tegen objecten en moeite om recht door de metaaldetectiepoort te stappen – hetgeen kan wijzen op gebruik van verdovende middelen. Hoewel klager aangeeft dat dit gedrag te wijten zou zijn aan vermoeidheid door vroeg opstaan en vasten in het kader van de Ramadan, acht de klachtencommissie het niet onredelijk dat de directie, gelet op de ernst van de signalen, oordeelde dat klager op dat moment niet geschikt was voor de arbeidspost. In de werkhuizen wordt immers gebruik gemaakt van potentieel gevaarlijk materiaal, hetgeen alertheid en fysieke stabiliteit vereist. Het ontslag van klager uit zijn functie is volgens de klachtencommissie dan ook geen verdoken tuchtsanctie en heeft geen bestraffend karakter. De klachtencommissie besluit hieruit dat de ontslagbeslissing niet onwettig, onredelijk of onbillijk is. Om deze redenen is de klacht niet gegrond.