TUCHT - GETUIGEN - RECHT OP TEGENSPRAAK
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten in de eerste plaats gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 4 augustus 2025. Hierin worden de vondsten ter gelegenheid van een celcontrole beschreven. De directie sanctioneerde klager enkel voor het pakje tabak met cannabis dat werd aangetroffen aan de rechterkant van klager zijn bureau. Klager slaapt aan de rechtse kant. Klager voerde ter tuchtzitting aan geviseerd te worden door de beambte, die het heeft doen lijken alsof het pakket tabak aan zijn kant van de tafel gevonden werd. De klachtencommissie meent dat de directie de grenzen van de redelijkheid niet te buiten ging door de feiten bewezen te achten op basis van de plaatsing van het pakket tabak op een open plaats (op het bureaublad, een plaats die dagelijks wordt gebruikt en die niet toegeschreven kan worden aan één gedetineerde). Klager maakte zich volgens de directie schuldig aan deelneming. De individuele verantwoordelijkheid van klager stond volgens de klachtencommissie voldoende vast en werd afdoende gemotiveerd. De directie stelt in de tuchtbeslissing echter ook dat ze de derde celgenoot in het kader van een andere hoorzitting eveneens gehoord heeft. Deze heeft aan de directeur verklaard dat hij geen kennis had van wat er aanwezig was op de cel en zeker geen weet had van de aanwezigheid van de verboden substanties. De directie omschreef dit als het ‘voeren van de nodige onderzoeksdaden’. Klager stelt in zijn klacht opmerkelijk genoeg dat deze derde persoon bereid is te getuigen ten overstaan van de klachtencommissie. Ten aanzien van zijn twee celgenoten verklaarde deze derde persoon dat hij de cannabis vergeten was toen hij wegging en dacht dat zij het zouden vinden. De directie kan de opsteller van het tuchtrapport en één of meerdere getuigen (enkel) horen in aanwezigheid van de gedetineerde (artikel 144, §5, vijfde lid Basiswet). Hetgeen de derde celgenoot verklaard heeft werd blijkens de motivering gebruikt als element in de tuchtbeslissing ten aanzien van klager, en dit in zijn nadeel. Volgens de klachtencommissie is er dan ook sprake van een schending van de rechten van verdediging, namelijk het recht op tegenspraak, nu de beslissing mede genomen werd op gronden waarop klager zich niet heeft kunnen verdedigen. De klacht is gegrond. De bestreden tuchtbeslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten in de eerste plaats gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 4 augustus 2025. Hierin worden de vondsten ter gelegenheid van een celcontrole beschreven. De directie sanctioneerde klager enkel voor het pakje tabak met cannabis dat werd aangetroffen aan de rechterkant van klager zijn bureau. Klager slaapt aan de rechtse kant. Klager voerde ter tuchtzitting aan geviseerd te worden door de beambte, die het heeft doen lijken alsof het pakket tabak aan zijn kant van de tafel gevonden werd. De klachtencommissie meent dat de directie de grenzen van de redelijkheid niet te buiten ging door de feiten bewezen te achten op basis van de plaatsing van het pakket tabak op een open plaats (op het bureaublad, een plaats die dagelijks wordt gebruikt en die niet toegeschreven kan worden aan één gedetineerde). Klager maakte zich volgens de directie schuldig aan deelneming. De individuele verantwoordelijkheid van klager stond volgens de klachtencommissie voldoende vast en werd afdoende gemotiveerd. De directie stelt in de tuchtbeslissing echter ook dat ze de derde celgenoot in het kader van een andere hoorzitting eveneens gehoord heeft. Deze heeft aan de directeur verklaard dat hij geen kennis had van wat er aanwezig was op de cel en zeker geen weet had van de aanwezigheid van de verboden substanties. De directie omschreef dit als het ‘voeren van de nodige onderzoeksdaden’. Klager stelt in zijn klacht opmerkelijk genoeg dat deze derde persoon bereid is te getuigen ten overstaan van de klachtencommissie. Ten aanzien van zijn twee celgenoten verklaarde deze derde persoon dat hij de cannabis vergeten was toen hij wegging en dacht dat zij het zouden vinden. De directie kan de opsteller van het tuchtrapport en één of meerdere getuigen (enkel) horen in aanwezigheid van de gedetineerde (artikel 144, §5, vijfde lid Basiswet). Hetgeen de derde celgenoot verklaard heeft werd blijkens de motivering gebruikt als element in de tuchtbeslissing ten aanzien van klager, en dit in zijn nadeel. Volgens de klachtencommissie is er dan ook sprake van een schending van de rechten van verdediging, namelijk het recht op tegenspraak, nu de beslissing mede genomen werd op gronden waarop klager zich niet heeft kunnen verdedigen. De klacht is gegrond. De bestreden tuchtbeslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe.