Ga verder naar de inhoud

KC04/26-0022

Ongegrond KC - Beveren Klachtencommissie Voorlopige maatregel
VOORLOPIGE MAATREGEL

Klager dient klacht in tegen een voorlopige maatregel. De directeur besliste om klager verplicht in de toegewezen verblijfsruimte te laten verblijven op basis van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet). De motivering van de voorlopige maatregel verwijst naar het gegeven dat klager verbaal agressief reageerde op de mededeling omtrent zijn UV die niet kon doorgaan. Vervolgens begon hij heftig te kloppen op het loketraam, bleef hij roepen en was hij niet meer voor rede vatbaar. Klager vertoonde ook fysiek agressief gedrag ten aanzien van het meubilair in het griffielokaal.

De klachtencommissie meent dat uit de motivering van de voorlopige maatregel voldoende blijkt waarom de fysieke integriteit van personen bedreigd werd én goederen gevaar liepen voor beschadiging. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel in het voorliggend dossier wettig, redelijk en billijk was. Klager voert aan dat hij de schriftelijke beslissing van de voorlopige maatregel niet (onmiddellijk) ontving. De klachtencommissie stelt vast dat de voorlopige maatregel op 23 januari 2026 om 11u30 werd opgelegd en pas op 24 januari 2026 om 13u00 (dus meer dan 24u later) werd betekend. Nadat de directie dit opmerkte heeft ze de voorlopige maatregel onmiddellijk stopgezet. De klachtencommissie wijst erop dat de Basiswet en de collectieve brief nr. 124 “Tuchtregime van gedetineerden” geen expliciete vaste termijn (uitgedrukt in aantal uren) voorzien waarbinnen de voorlopige maatregel formeel moet worden betekend, zoals dit het geval is voor een beslissing tot fouillering op het lichaam of een tuchtbeslissing. Wel dient binnen de 24u na het nemen van de voorlopige maatregel beslist te worden of er een tuchtprocedure zal opgestart worden (CB nr. 124, p. 15). De laattijdige betekening van de voorlopige maatregel in het voorliggend dossier was dus niet onwettig. De klachtencommissie stelt bovendien vast dat klager, ondanks het gebrek aan schriftelijke beslissing, op 23 januari 2026 toch al een klacht indiende tegen de voorlopige maatregel en daarbij bovendien melding maakte van de reden waarom die aan hem werd opgelegd (hijzelf omschrijft het als “omdat hij een eisende houding had”). Tot slot werd de voorlopige maatregel meteen na ontdekking van de laattijdige betekening door de directie stopgezet. Om deze redenen is de klacht ongegrond.