Ga verder naar de inhoud

KC04/26-0032

Ongegrond Gegrond Tegemoetkoming Onontvankelijk KC - Beveren Klachtencommissie Andere beslissing directeur Tucht Geen beslissing directeur Ordemaatregel
TUCHT - ARBEID - SCHADE - NIET-UITVOERING - WANDELING - MEDISCH

Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in de twee RAD’s van 23 januari 2026. Ter tuchtzitting erkent klager dat hij zeer boos was in verband met de mededeling over zijn UV en erg de hoogte in ging. Ook het feit dat hij werd aangeraakt door een beambte maakte hem boos. Hij is echter nooit fysiek agressief geweest.Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De directie kon de feiten, zoals die duidelijk en uitdrukkelijk in de RAD’s werden beschreven, voor waar en als voldoende aannemen. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 3° Basiswet), de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet) en het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd. Klager pleegde twee inbreuken van de eerste categorie en één inbreuk van de tweede categorie en kreeg 14 dagen ATV. In tegenstelling tot wat klager in zijn klacht aanvoert, werd de voorlopige maatregel wel degelijk in mindering gebracht. De klachtencommissie acht de sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.

Klager dient klacht in tegen een afzetting van werk van ‘25 januari’ 2026. Aangezien klager op verschillende klachtenformulieren echter ook de datum van de tuchtbeslissing situeert op 25 januari 2026 (terwijl deze op 26 januari 2026 werd genomen), meent de klachtencommissie dat het een materiële vergissing in hoofde van klager betreft en dat de ontslagbeslissing óók op 26 januari 2026 werd genomen. Klager brengt geen enkel inhoudelijk element aan omtrent deze afzetting van werk. De directie ging er in haar schriftelijk en mondeling verweer ook niet op in. De klachtencommissie besluit dat het ontslag het automatisch gevolg was van het feit dat klager tijdens zijn ATV niet op het werk aanwezig kon zijn. De klachtencommissie acht het logisch dat de functie van klager gedurende zijn verblijf in ATV moest worden ingevuld door een andere gedetineerde om de continuïteit van de dienstverlening te vrijwaren. Er was dan ook sprake van de situatie waarbij het werk niet meer beschikbaar was na afloop van de tuchtsanctie. De dienstnota legt in dat geval niet op dat er een schriftelijke ontslagbeslissing dient te worden genomen. De klachtencommissie ziet geen redenen om aan te nemen dat het ontslag in het voorliggend dossier onwettelijk of onredelijk was. De klacht is ongegrond.

Klager dient klacht in tegen een beslissing tot vergoeding van schade van 22 december 2025 en de navolgende afhouding van 60 EUR voor schade op 24 januari 2026. Zowel het voorleggen van een akkoord tot betaling schadevergoeding als de daadwerkelijke afhouding van een bedrag tot terugbetaling van schade is een beslissing die door de directeur (of door de boekhouding namens de directeur) wordt genomen. In het voorliggend dossier werd er een bedrag verhaald op klager zijn individuele rekening. Aangezien klager de schade betwist, meent de klachtencommissie te kunnen besluiten dat er sprake is van de hypothese waarbij er een bedrag werd afgehouden zonder zijn toestemming. Aangezien de directie nalaat enig dossierstuk over te maken kan de klachtencommissie ten eerste niet nagaan of er sprake is van materiële schade veroorzaakt door de fout van klager. De klachtencommissie kan aldus niet nagaan of klager de schade verschuldigd was en of de beslissing tot terugbetaling van schade wettelijk en redelijk was. Aangezien de directie nalaat enig dossierstuk over te maken kan de klachtencommissie ten tweede niet nagaan of de daarop volgende daadwerkelijke afhouding van een bedrag wettelijk en redelijk was. De klachtencommissie kan met name niet nagaan of het bedrag werd afgehouden van geldsommen verschuldigd door de penitentiaire administratie waarbij rekening gehouden werd met de maximale inhouding van 40% op het uit te betalen bedrag (artikel 104/1 Basiswet). De klachtencommissie besluit in navolging van de rechtspraak van de Raad van State (RvS 29 januari 2014, nr. 226.252) dat de afwezigheid van een administratief dossier wordt gelijkgesteld met de afwezigheid van deugdelijke motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund. Om deze reden is de klacht gegrond. De bestreden beslissing (beslissing tot terugbetaling van schade) wordt vernietigd. Teneinde de gevolgen van de vernietigde beslissing ongedaan te maken (artikel 158, §4 Basiswet) dient het reeds afgehouden bedrag tot terugbetaling van schade (60 EUR) aan klager terugbetaald te worden.

Klager beklaagt zich over de niet-uitvoering van de beslissing van de klachtencommissie van 14 november 2025 (KC04/25-0198). De beslissing werd op 17 november 2025 aan de directie betekend. Er werd geen beroep aangetekend tegen deze beslissing. De directie diende naar aanleiding van de beslissing van de klachtencommissie grondig onderzoek te voeren over de diefstal van de jas en een schadedossier samen te stellen en in te dienen, en dit binnen een termijn van een maand na de betekening van de beslissing aan de directie. In haar schriftelijk verweer schrijft de directie dat zij meteen na de uitspraak een formulier van zaakschade aan klager heeft overgemaakt. Klager zou dit pas recentelijk aan de directie hebben bezorgd. De klachtencommissie meent dan ook dat de directeur een noodzakelijke eerste stap ondernam om uitvoering te geven aan de beslissing van de klachtencommissie, maar dat het aan klager zelf te wijten is (door het niet meteen invullen van het hem aangeleverde formulier) dat de volledige uitvoering niet binnen de maand na de betekening kon voltooid worden. De klacht is ongegrond.

Klager dient klacht in omdat hij op 30 januari 2026 tijdens zijn ATV-sanctie niet individueel kon gaan wandelen omwille van de staking. In haar verweer schrijft de directie dat iedereen die wou gaan wandelen de mogelijkheid kreeg om te wandelen, ook zij die onder ATV stonden. De klachtencommissie acht het ter zitting van de klachtencommissie door klager voldoende aannemelijk gemaakt dat hij op de stakingsdag niet is kunnen gaan wandelen. De klacht is gegrond. De beslissing wordt vernietigd. Aangezien de gevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden kent de klachtencommissie de volgende tegemoetkoming toe aan klager: één extra individuele wandeling, uit te voeren binnen 30 dagen volgend op de betekening van deze uitspraak (artikel 158, §4, tweede lid Basiswet).

Klager beklaagt zich over het gegeven dat hij geen dokter te zien kreeg tijdens zijn ATV. De klachtencommissie is niet bevoegd voor klachten van medische aard, aangezien dit geen beslissingen van de directeur zijn. De directie is niet verantwoordelijk voor de werking van de medische dienst. De dokter staat niet onder het gezag van de directie. De klacht is niet-ontvankelijk.