KC04/26-0040
Ongegrond
KC - Beveren
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
Tucht
TUCHT - ONTSLAG
Klager dient klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd voor de opzettelijke aantasting van de orde.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. De klachtencommissie is van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting legt klager enkel uit waarom het zo belangrijk was dat zijn was snel gedaan kon worden en dat hij niet meteen een bonnetje vond. Hij verklaarde dat de beambte naar hem toe onvriendelijk was. In zijn klacht stelt hij zelf dat als ze naar hem toe onvriendelijk zijn en hem als een hond behandelen, ze niet kunnen verwachten dat hij zelf vriendelijk blijft. Klager ontkent nergens dat hij de deur heeft dichtgegooid en de woorden heeft geroepen, maar stelt enkel dat hij de deur niet tegen de beambte zelf heeft toegegooid. De klachtencommissie is van oordeel dat het hard toegooien van deuren en het roepen van ‘bol het af’, voldoende zijn om te spreken van de opzettelijke aantasting van de orde. Klager had perfect op een andere manier kunnen reageren en een andere oplossing kunnen zoeken om zijn was sneller te kunnen wassen, zonder daarbij te roepen en de celdeur dicht te slaan. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van zeven dagen geen gemeenschappelijke activiteiten. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de milde sanctie.
Klager dient daarnaast klacht in tegen de afzetting van werk. Uit het verweer van de directie blijkt dat klager tewerkgesteld was bij de schoonmaakploeg. In de richtlijnen van de Directie Juridische Dienst van 28 november 2024 over “Arbeid – tucht – veiligheidsmaatregel” worden mogelijke situaties met betrekking tot de afzetting van werk beschreven, die elk met bepaalde gevolgen gepaard gaan. De klachtencommissie stelt vast dat klager onder situatie 3 van deze richtlijnen valt, namelijk de gedetineerde begaat een tuchtinbreuk die niet tot gevolg heeft dat hij niet meer geschikt is voor de arbeidspost of dat de werkrelatie niet langer mogelijk is. Deze richtlijnen bepalen dat dit tot onmiddellijk gevolg heeft klager “zijn tewerkstelling behoudt voor de duur van de sanctie, tenzij de onmogelijkheid om te gaan werken voortvloeit uit de opgelegde sanctie”. Doordat klager tuchtrechtelijk werd uitgesloten van alle gemeenschappelijke activiteiten, was hij inderdaad in de onmogelijkheid om te gaan werken in de schoonmaakploeg. De klachtencommissie stelt vast dat de richtlijnen in deze situatie bepalen dat, indien na afloop van de sanctie het werk niet meer beschikbaar is, de gedetineerde om die reden niet terug aan het werk kan, dit hem duidelijk mondeling of schriftelijk moet worden meegedeeld. Uit het verweer van de directie blijkt dat het feit dat zijn werk niet meer beschikbaar was, onvermijdelijk het gevolg is van de afwezigheid van klager op het werk. De klachtencommissie stelt vast dat klager hiervan op de hoogte werd gebracht gelet op de indiening van de klacht. De beslissing tot afzetting van werk is dus niet onwettig. De beslissing is daarnaast niet onredelijk of onbillijk. Om deze redenen is de klacht niet gegrond.
Klager dient klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd voor de opzettelijke aantasting van de orde.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. De klachtencommissie is van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting legt klager enkel uit waarom het zo belangrijk was dat zijn was snel gedaan kon worden en dat hij niet meteen een bonnetje vond. Hij verklaarde dat de beambte naar hem toe onvriendelijk was. In zijn klacht stelt hij zelf dat als ze naar hem toe onvriendelijk zijn en hem als een hond behandelen, ze niet kunnen verwachten dat hij zelf vriendelijk blijft. Klager ontkent nergens dat hij de deur heeft dichtgegooid en de woorden heeft geroepen, maar stelt enkel dat hij de deur niet tegen de beambte zelf heeft toegegooid. De klachtencommissie is van oordeel dat het hard toegooien van deuren en het roepen van ‘bol het af’, voldoende zijn om te spreken van de opzettelijke aantasting van de orde. Klager had perfect op een andere manier kunnen reageren en een andere oplossing kunnen zoeken om zijn was sneller te kunnen wassen, zonder daarbij te roepen en de celdeur dicht te slaan. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van zeven dagen geen gemeenschappelijke activiteiten. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de milde sanctie.
Klager dient daarnaast klacht in tegen de afzetting van werk. Uit het verweer van de directie blijkt dat klager tewerkgesteld was bij de schoonmaakploeg. In de richtlijnen van de Directie Juridische Dienst van 28 november 2024 over “Arbeid – tucht – veiligheidsmaatregel” worden mogelijke situaties met betrekking tot de afzetting van werk beschreven, die elk met bepaalde gevolgen gepaard gaan. De klachtencommissie stelt vast dat klager onder situatie 3 van deze richtlijnen valt, namelijk de gedetineerde begaat een tuchtinbreuk die niet tot gevolg heeft dat hij niet meer geschikt is voor de arbeidspost of dat de werkrelatie niet langer mogelijk is. Deze richtlijnen bepalen dat dit tot onmiddellijk gevolg heeft klager “zijn tewerkstelling behoudt voor de duur van de sanctie, tenzij de onmogelijkheid om te gaan werken voortvloeit uit de opgelegde sanctie”. Doordat klager tuchtrechtelijk werd uitgesloten van alle gemeenschappelijke activiteiten, was hij inderdaad in de onmogelijkheid om te gaan werken in de schoonmaakploeg. De klachtencommissie stelt vast dat de richtlijnen in deze situatie bepalen dat, indien na afloop van de sanctie het werk niet meer beschikbaar is, de gedetineerde om die reden niet terug aan het werk kan, dit hem duidelijk mondeling of schriftelijk moet worden meegedeeld. Uit het verweer van de directie blijkt dat het feit dat zijn werk niet meer beschikbaar was, onvermijdelijk het gevolg is van de afwezigheid van klager op het werk. De klachtencommissie stelt vast dat klager hiervan op de hoogte werd gebracht gelet op de indiening van de klacht. De beslissing tot afzetting van werk is dus niet onwettig. De beslissing is daarnaast niet onredelijk of onbillijk. Om deze redenen is de klacht niet gegrond.