TUCHT - BEZOEK
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing waarbij hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens “het niet of onvoldoende rein houden van de verblijfsruimte en de gemeenschappelijke lokalen of het bevuilen van terreinen".
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en een beambte getuige was van de toestand van de familiekamer. De opsteller van het RAD geeft duidelijk aan in welke mate de familiekamer na het bezoek van klager vuil en wanordelijk was: verpakkingen en resten lagen verspreid op en onder de zetel, het speelgoed was niet opgeruimd en lag over de vloer verspreid, en in de doucheruimte was er met wc-papier gespeeld, dat bewust van de houder was getrokken. De klachtencommissie heeft begrip voor het feit dat klager drie kinderen heeft, waarvan één extra in het oog gehouden moet worden gelet op zijn ASS, zoals blijkt uit de verklaringen van klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. Zij kan begrijpen dat het opruimen daardoor minder makkelijk gaat. Toch is de klachtencommissie van oordeel dat uit het RAD duidelijk blijkt dat de vastgestelde feiten verder gaan dan ‘gedeeltelijk opgeruimd’. Speelgoed was gewoonweg niet opgeruimd en de doucheruimte lag nog vol met wc-papier dat was afgetrokken van de houder. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat indien het voor klager (en zijn vrouw) effectief onmogelijk zou zijn geweest om, gelet op het gedrag van hun kind(eren) überhaupt op te ruimen, hij een beambte hierover had kunnen aanspreken en samen een oplossing had kunnen zoeken. Klager heeft dit echter niet gedaan. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten de tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een bijzondere tuchtsanctie op in de vorm van de ontzegging van bezoek zonder toezicht voor een periode van tien dagen. Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie kan dit maximaal gedurende vijftien dagen opgelegd worden. Bovendien was er een verband tussen de feiten en de opgelegde sanctie zodat de bijzondere tuchtsanctie een spiegelende sanctie was. De tuchtsanctie was bijgevolg wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was.
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing waarbij hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens “het niet of onvoldoende rein houden van de verblijfsruimte en de gemeenschappelijke lokalen of het bevuilen van terreinen".
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en een beambte getuige was van de toestand van de familiekamer. De opsteller van het RAD geeft duidelijk aan in welke mate de familiekamer na het bezoek van klager vuil en wanordelijk was: verpakkingen en resten lagen verspreid op en onder de zetel, het speelgoed was niet opgeruimd en lag over de vloer verspreid, en in de doucheruimte was er met wc-papier gespeeld, dat bewust van de houder was getrokken. De klachtencommissie heeft begrip voor het feit dat klager drie kinderen heeft, waarvan één extra in het oog gehouden moet worden gelet op zijn ASS, zoals blijkt uit de verklaringen van klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. Zij kan begrijpen dat het opruimen daardoor minder makkelijk gaat. Toch is de klachtencommissie van oordeel dat uit het RAD duidelijk blijkt dat de vastgestelde feiten verder gaan dan ‘gedeeltelijk opgeruimd’. Speelgoed was gewoonweg niet opgeruimd en de doucheruimte lag nog vol met wc-papier dat was afgetrokken van de houder. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat indien het voor klager (en zijn vrouw) effectief onmogelijk zou zijn geweest om, gelet op het gedrag van hun kind(eren) überhaupt op te ruimen, hij een beambte hierover had kunnen aanspreken en samen een oplossing had kunnen zoeken. Klager heeft dit echter niet gedaan. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten de tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een bijzondere tuchtsanctie op in de vorm van de ontzegging van bezoek zonder toezicht voor een periode van tien dagen. Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie kan dit maximaal gedurende vijftien dagen opgelegd worden. Bovendien was er een verband tussen de feiten en de opgelegde sanctie zodat de bijzondere tuchtsanctie een spiegelende sanctie was. De tuchtsanctie was bijgevolg wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was.