KC04/26-0060
Ongegrond
Gegrond
KC - Beveren
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT
Klager diende een klacht in tegen een voorlopige maatregel en een tuchtbeslissing naar aanleiding van bedreigingen geuit ten aanzien van een medegedetineerde.
- m.b.t. de voorlopige maatregel
Uit de motivering van de voorlopige maatregel en het RAD blijkt duidelijk dat de fysieke integriteit van de medegedetineerde diende te worden gevrijwaard, gelet op de bedreigingen die klager ten aanzien van hem had geuit in navolging van het beledigen van zijn moeder. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel wettig was. Gelet op de feiten was het verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte ook niet onredelijk of onbillijk. De beslissing tot voorlopige maatregel werd voldoende gemotiveerd. De voorlopige maatregel werd niet genomen met het oog op de onmiddellijke bestraffing. De directie kon de voorlopige maatregel opleggen.
De klachtencommissie buigt zich niet enkel over de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel, maar ook over de duur van de voorlopige maatregel. De Basiswet bepaalt namelijk dat indien de gedetineerde het voorwerp uitmaakt van een voorlopige maatregel, hij wordt gehoord binnen tweeënzeventig uur nadat deze in werking is getreden. De voorlopige maatregel heeft een aanvang genomen op 19/03/2026 om 13.00 uur. Klager werd op de tuchtrechtelijke hoorzitting van 23/03/2026 om 11.04 uur gehoord, dus niet binnen tweeënzeventig uur. Op 22/03/2026 om 10.00 uur heeft klager echter om uitstel verzocht en een document ondertekend. Klager heeft door middel van dit document verklaard dat hij akkoord was om de huidige voorlopige maatregel verder te laten lopen tot de nieuwe hoorzitting. De klachtencommissie stelt de wettigheid van dit document evenwel in vraag, aangezien de Basiswet duidelijk bepaalt dat de gedetineerde dient te worden gehoord binnen tweeënzeventig uur na de inwerkingtreding van de voorlopige maatregel. Uit rechtspraak van de beroepscommissie (BC23-0191) kan worden afgeleid dat een voorlopige maatregel niet langer dan tweeënzeventig uur kan worden gehandhaafd, ook al werd de tuchtrechtelijke hoorzitting uitgesteld. De voorlopige maatregel werd dus niet opgelegd volgens de vereisten van de Basiswet. De klacht is gegrond.
- m.b.t. de tuchtbeslissing
De klachtencommissie meent dat het RAD duidelijk werd opgesteld. De precieze handelingen die klager stelde, werden op voldoende gedetailleerde wijze beschreven in het RAD. Bovendien werd het RAD ondertekend door een getuige, namelijk het directielid waarmee klager een gesprek had. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De bedreigingen die klager uitte ten aanzien van de medegedetineerde, vormden een voldoende concrete dreiging gelet op de gebruikte bewoordingen. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager. De klacht is niet gegrond.
Klager diende een klacht in tegen een voorlopige maatregel en een tuchtbeslissing naar aanleiding van bedreigingen geuit ten aanzien van een medegedetineerde.
- m.b.t. de voorlopige maatregel
Uit de motivering van de voorlopige maatregel en het RAD blijkt duidelijk dat de fysieke integriteit van de medegedetineerde diende te worden gevrijwaard, gelet op de bedreigingen die klager ten aanzien van hem had geuit in navolging van het beledigen van zijn moeder. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel wettig was. Gelet op de feiten was het verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte ook niet onredelijk of onbillijk. De beslissing tot voorlopige maatregel werd voldoende gemotiveerd. De voorlopige maatregel werd niet genomen met het oog op de onmiddellijke bestraffing. De directie kon de voorlopige maatregel opleggen.
De klachtencommissie buigt zich niet enkel over de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel, maar ook over de duur van de voorlopige maatregel. De Basiswet bepaalt namelijk dat indien de gedetineerde het voorwerp uitmaakt van een voorlopige maatregel, hij wordt gehoord binnen tweeënzeventig uur nadat deze in werking is getreden. De voorlopige maatregel heeft een aanvang genomen op 19/03/2026 om 13.00 uur. Klager werd op de tuchtrechtelijke hoorzitting van 23/03/2026 om 11.04 uur gehoord, dus niet binnen tweeënzeventig uur. Op 22/03/2026 om 10.00 uur heeft klager echter om uitstel verzocht en een document ondertekend. Klager heeft door middel van dit document verklaard dat hij akkoord was om de huidige voorlopige maatregel verder te laten lopen tot de nieuwe hoorzitting. De klachtencommissie stelt de wettigheid van dit document evenwel in vraag, aangezien de Basiswet duidelijk bepaalt dat de gedetineerde dient te worden gehoord binnen tweeënzeventig uur na de inwerkingtreding van de voorlopige maatregel. Uit rechtspraak van de beroepscommissie (BC23-0191) kan worden afgeleid dat een voorlopige maatregel niet langer dan tweeënzeventig uur kan worden gehandhaafd, ook al werd de tuchtrechtelijke hoorzitting uitgesteld. De voorlopige maatregel werd dus niet opgelegd volgens de vereisten van de Basiswet. De klacht is gegrond.
- m.b.t. de tuchtbeslissing
De klachtencommissie meent dat het RAD duidelijk werd opgesteld. De precieze handelingen die klager stelde, werden op voldoende gedetailleerde wijze beschreven in het RAD. Bovendien werd het RAD ondertekend door een getuige, namelijk het directielid waarmee klager een gesprek had. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De bedreigingen die klager uitte ten aanzien van de medegedetineerde, vormden een voldoende concrete dreiging gelet op de gebruikte bewoordingen. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager. De klacht is niet gegrond.